Kabinet wil meer aandacht voor rechtspositie melder van misstand

Adviespunt klokkenluiders 28 oktober 2014 | Het kabinet baseert zijn bevindingen vooral op het evaluatierapport ‘Veilig misstanden melden op het werk’ van Berenschot uit juli 2014. Het rapport meldt dat ongeveer een kwart van de werknemers een vermoeden van een misstand had. Ook beschikt een meerderheid van de organisaties weliswaar over een klokkenluidersregeling, maar weet een flink deel van de werknemers die weg niet te bewandelen of lijkt de omgang met meldingen lang niet op orde te zijn.

Gemiddeld genomen wordt de helft van de misstanden intern aanhangig gemaakt. Enkele procenten van de werknemers hebben ook de externe weg bewandeld. Circa één derde van de melders ondervindt negatieve gevolgen van een melding. Het kabinet vindt dat daarom meer aandacht voor transparante organisaties en meldingsstructuren wenselijk is. In vervolg op de brief van de minister van 9 april 2014, waarin het kabinet zich uitspreekt tot een betere rechtsbescherming van de melder, roept het kabinet nogmaals op tot meer aandacht voor de positie van de melder.

Volgens het kabinet is het Adviespunt Klokkenluiders een effectief opererende organisatie en verdient het, als onafhankelijk advies- en verwijspunt, een vaste positie binnen het stelsel van klokkenluidersvoorzieningen. Vooral vanwege de laagdrempelige, zelfstandige en onafhankelijke functie die het Adviespunt vervult, en het feit dat het zowel de publieke als private sector bedient, moet er volgens het kabinet aandacht komen voor het creëren van een wettelijke basis voor deze instantie.

Bron: Adviespunt klokkenluiders

0

Uitspraak 8 april 2014: Klokkenluider

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 2766562 VZ VERZ 14-1206
uitspraak: 8 april 2014
beschikking ex artikel 7:685 BW van de kantonrechter, zittinghoudende te Rotterdam
in de zaak van
de stichting
[verzoekster] ,
gevestigd te [vestigingsplaats],
verzoekster,
gemachtigde: mr. P.H. Burger te Utrecht,
tegen
[verweerder] ,
wonende te [woonplaats],
verweerder,
gemachtigde: mr. V.M. Weski te Rotterdam.
Partijen worden hierna aangeduid met ‘[verzoekster]’ en ‘[verweerder]’.
1 Het verloop van de procedure
1.1.
Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken, waarvan de kantonrechter heeft kennisgenomen:
– het verzoekschrift, met producties;

de brief van de gemachtigde van [verzoekster] d.d. 10 maart 2014, met producties;

het verweerschrift, met producties.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgehad op 17 maart 2014. Aan de zijde van [verzoekster] zijn verschenen de heer [A], algemeen directeur, de heer [B], regiomanager en mevrouw [C], bestuurssecretaris, bijgestaan door de gemachtigde van [verzoekster]. [verweerder] is in persoon verschenen, eveneens bijgestaan door zijn gemachtigde. Daarnaast waren als toehoorders aanwezig de heer [D], voorzitter van de Expertgroep Klokkenluiders, de heer [E], de heer[F], mevrouw[G] en mevrouw [H], kantoorgenoot van de gemachtigde van [verweerder]. Beide partijen hebben hun standpunten door de respectievelijke gemachtigden doen toelichten. Van hetgeen ter zitting is verhandeld, heeft de griffier aantekening gehouden.

1.3.
De uitspraak van de beschikking is door de kantonrechter bepaald op heden.

2 De vaststaande feiten
Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen het volgende vast.

2.1.
[verweerder], geboren op [geboortedatum], is – nadat hij sinds 31 juli 2006 als uitzendkracht bij [verzoekster] gewerkt had – op 1 maart 2007 in dienst getreden bij [verzoekster] in de functie van werkmeester. Het loon van [verweerder] bedraagt thans € 2.656,00 bruto per maand exclusief vakantiegeld bij een arbeidsduur van 36 uur per week. Op de arbeidsovereenkomst is de CAO Reclassering van toepassing.

2.2.
In het kader van arbeidsovereenkomst was [verweerder] van 2007 tot 2010 werkzaam op de [locatie] te Den Haag.

2.3.
Bij beschikking van 19 oktober 2010 heeft de kantonrechter te Rotterdam het verzoek van [verzoekster] tot ontbinding van de tussen haar en [verweerder] bestaande arbeidsovereenkomst afgewezen, omdat naar het oordeel van de kantonrechter – kort gezegd – geen sprake was van een verandering van omstandigheden.

2.4.
De brief van 8 november 2010 van [verzoekster] aan [verweerder] luidt voor zover thans van belang:

“[…] Uitgangspunten
Wij respecteren de uitspraak van de kantonrechter d.d. 19 oktober 2010.
De twee belangrijkste onderdelen van die uitspraak zijn:
De arbeidsovereenkomst met u wordt niet ontbonden; u hervat uw werkzaamheden als werkmeester bij onze organisatie.
Reclassering Nederland had kunnen volstaan met een waarschuwing ten aanzien van die punten die door de werkgever in het verzoekschrift naar voren zijn gebracht.
Waarschuwing
Op basis van de uitspraak van de rechter geven wij u bij deze alsnog een officiële waarschuwing zodat u:

geen enkele vorm van informatie geeft/en of acquisitie pleegt mbt werkzaamheden van uw vrouw naar collega’s en werkgestraften, maar ook niet naar andere betrokkenen in het werkproces en daaraan verbonden justitieketen;

geen nevenwerkzaamheden verricht tijdens ziekte of inroostering als achterwacht en hierover volledig openheid geeft;

geen enkele vorm van vermenging van privé en zakelijke belang plaatsvindt.
Bij herhaling van feiten zijn wij genoodzaakt om formele vervolgstappen te zetten.

(…)
Voorwaarden voor uw herstart
Wij hebben kennis genomen van de door u gestelde voorwaarden, maar zullen daaraan geen uitvoering geven. De uitspraak van de kantonrechter is voor ons de leidraad van uw herstart. Wij vinden het niet correct en improductief om de verschillen van mening (en de wijze waarop daaraan uiting is gegeven) voorafgaand en tijdens de procedure bij de kantonrechter over te doen. Wij streven primair naar een snelle herstart en een normalisering van de werkrelatie met u. […]
2.5.
[verweerder] is arbeidsongeschikt.

3 Het verzoek
3.1.
[verzoekster] verzoekt de tussen [verzoekster] en [verweerder] bestaande arbeidsovereenkomst per de vroegst mogelijke datum te ontbinden op grond van gewichtige redenen, bestaande uit een verandering in de omstandigheden, zijnde een verstoorde arbeidsverhouding, welke van dien aard is dat de arbeidsovereenkomst dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen, met veroordeling van [verweerder] in de kosten van de procedure en legt daar – zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang – het volgende aan ten grondslag.

3.2.
Op 7 maart 2011 hebben [verweerder], de heer [F] en de heer [E] (hier tezamen te noemen: de Klokkenluiders) op basis van de binnen [verzoekster] van toepassing zijnde Gedragscode en de Klokkenluidersregeling melding gemaakt van misstanden op de [locatie]. Naar aanleiding van deze melding heeft een intern onderzoek plaatsgevonden. Daarnaast hebben zowel Tinguely Xperts (hierna te noemen: Tinguely) als Bureau Hoffmann onderzoek naar de gestelde misstanden gedaan. Er zijn geen misstanden vastgesteld en de klokkenluidersprocedure is op 28 maart 2012 afgesloten. Daar de gemelde misstanden betrekking hadden op de integriteit van medewerkers van de [locatie], was de werksfeer op de [locatie] dusdanig verslechterd dat [verzoekster] er – gesteund door het rapport van Tinguely – voor gekozen heeft [verweerder] zijn werkzaamheden op een andere locatie te laten hervatten. [verzoekster] wilde daar al in 2012 middels een mediator met [verweerder] over in gesprek gaan, maar (vooral) vanwege de arbeidsongeschiktheid van [verweerder] heeft mediation pas in het voorjaar/de zomer van 2013 plaatsgevonden. De uitkomst daarvan was niet bevredigend. Vervolgens heeft [verzoekster] [verweerder] per september 2013 een werkplek in Breda aangeboden, hetgeen door [verweerder] is aanvaard. Na twee maanden heeft [verweerder] zich echter weer ziek gemeld met spanningsklachten, die verband hielden met de situatie rondom de melding van misstanden. Dat [verweerder] zich wegens spanningsklachten ziek meldde, was niet nieuw. [verweerder] had zich al in maart 2010, november 2010 en november 2011 wegens spanningsklachten ziek gemeld en in juli 2012 zijn deze klachten vanwege het door hem beleefde conflict over de misstanden verergerd. [verweerder] stelt dat sprake is geweest van psychiatrische crisisopvang, maar van een zware daaraan ten grondslag liggende psychische stoornis is geen sprake. De bedrijfsarts, de heer Oeij (hierna te noemen: Oeij) heeft in zijn rapportage van 23 oktober 2013 geoordeeld dat sprake was van schouderklachten, maar niet van ziekte als gevolg van door de melding van misstanden ontstane spanningsklachten. Tijdens de in het kader van het opstellen van de probleemanalyse op 21 november 2013 en 9 december 2013 met Oeij gevoerde gesprekken, heeft [verweerder] – in strijd met artikel 75 van de CAO – geweigerd informatie aan de bedrijfsarts te geven, waardoor Oeij geen probleemanalyse kon opstellen. [verzoekster] heeft toen besloten tot het toepassen van een loonsanctie. Het UWV heeft weliswaar op 22 januari 2014 geoordeeld dat de bedrijfsarts wel in staat was een probleemanalyse te maken, maar [verzoekster] is het niet met dat oordeel eens. [verzoekster] gaat er dan ook uit van uit dat de bedrijfsarts goed geoordeeld heeft.

3.3.
[verweerder] heeft de uitkomst van het onderzoek van bureau Hoffmann niet geaccepteerd en heeft de door hem gestelde misstanden en wijze waarop deze door [verzoekster] zijn onderzocht op voor binnen [verzoekster] werkzame personen schadelijke wijze onder de aandacht gebracht bij de politiek, het ministerie van justitie en de media. Ook heeft [verweerder] ten onrechte bij brief van 15 oktober 2013 tegenover de minister gesuggereerd dat de heer [B], Regiomanager van [verzoekster] (nader te noemen: [B]) en de heer [A], Algemeen Directeur van [verzoekster], zich schuldig hebben gemaakt aan het plegen van strafbare feiten. [verweerder] brengt [verzoekster] en haar medewerkers daarmee ernstige schade toe. Dit is onacceptabel en in strijd met artikel 4.1. van de Klokkenluidersregeling. Ook heeft [verweerder] een klacht tegen de bedrijfsarts ingediend.

3.4.
[verzoekster] heeft verschillende pogingen ondernomen om de arbeidshouding te herstellen, onder meer door middel van mediation en het aanbieden van een nieuwe werkkring. Het lukt echter niet om tot een duurzame hervatting van de werkzaamheden en een duurzame vruchtbare samenwerking te komen. [verweerder] vlucht telkenmale in ziekteverzuim. [verzoekster] heeft het vertrouwen verloren dat een vruchtbare samenwerking tot de mogelijkheden behoort.

3.5.
Daar de oorzaak van de verandering van omstandigheden gelegen is in de opstelling en handelswijze van [verweerder], is er geen plaats voor een ontbindingsvergoeding.

3.6.
De overige stellingen van [verzoekster] worden – voor zover van belang – in de beoordeling besproken.

4 Het verweer
4.1.
[verweerder] refereert zich ten aanzien van de ontbinding van de arbeidsovereenkomst en de datum daarvan aan het oordeel van de kantonrechter en verzoekt om toekenning van een vergoeding van € 51.632,64, met veroordeling van [verzoekster] in de kosten van de procedure en voert hier – zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang – het volgende voor aan.

4.2.
In 2009 ontstond er binnen het team [locatie] spanning, omdat er aan de ene kant een groep werkmeesters was, onder wie [verweerder], die strikt de regels volgde en er aan de andere kant een groep was die een loopje met de regels nam en niet integer gedrag vertoonde. Nadat een van de Klokkenluiders deze misstanden gemeld had en er gesprekken met alle werkmeesters gevoerd waren, werd [verweerder] voortdurend zwart gemaakt bij de rest van het team. Zo werd er onder meer gezegd dat de echtgenote van [verweerder] een prostituee was en dat [verweerder] de werkzaamheden van zijn vrouw zou promoten bij collega’s en taakgestraften. Daarnaast maakte [verzoekster] ineens een probleem van nevenfuncties van [verweerder], die hij al lange tijd vervulde en waar de leidinggevenden van op de hoogte waren. [verweerder] werd ervan beschuldigd dat hij tijdens ziekteperiodes bij andere opdrachtgevers werkte en dat hij fraudeerde. [verzoekster] heeft de opdrachtgevers van [verweerder] in dit kader benaderd, waarbij tegen een van de opdrachtgevers is gezegd dat [verweerder] verdacht werd van fraude. Een en ander veroorzaakte zoveel spanning bij [verweerder] dat hij in april 2010 in een psychiatrisch crisiscentrum opgenomen is. Uiteindelijk heeft [verzoekster] het hiervoor onder 2.3. bedoelde ontbindingsverzoek ingediend.

4.3.
Nadat de kantonrechter dit ontbindingsverzoek had afgewezen, heeft [verzoekster] [verweerder] de hiervoor onder 2.4. geciteerde officiële waarschuwing gegeven. Ook was [verzoekster] niet bereid te voldoen aan een aantal redelijke voorstellen, die [verweerder] in het kader van de werkhervatting had gesteld. Voor [verweerder] was dit weer een klap in het gezicht en [verweerder] heeft zich vanwege de spanningen weer ziek moeten melden. Daar komt bij dat [verzoekster] in haar brief van 23 februari 2011 gezegd heeft dat het ontbindingsverzoek tot haar teleurstelling afgewezen is.

4.4.
De Klokkenluiders zijn het niet eens met de conclusies van Bureau Hoffmann. [verzoekster] heeft het verzoek van de Klokkenluiders om contra-expertise afgewezen. Ook heeft [A] nagelaten na het overlijden van de vertrouwenspersoon een nieuwe vertrouwenspersoon aan te wijzen.

4.5.
Partijen hebben gecommuniceerd over mediation, totdat de bedrijfsarts op 19 september 2012 vaststelde dat [verweerder] hier wegens medische redenen niet mee kon starten. Begin 2013 was de medische situatie van [verweerder] weer beter en van april tot mei 2013 heeft mediation plaatsgevonden. Met de komst van Oeij werd ineens getwijfeld aan de ziekte van [verweerder]. Op verzoek van Oeij heeft Ergatis een onderzoek verricht naar de arbeidsongeschiktheid van [verweerder]. Ergatis concludeerde – zonder de behandelaars van [verweerder], die een (ernstige) angststoornis vastgesteld hadden, te raadplegen – dat de psychische klachten van [verweerder] voortvloeiden uit het arbeidsconflict en er geen stoornis aan ten grondslag lag. Desalniettemin heeft [verweerder] zich tijdens het mediationtraject positief en welwillend opgesteld, hetgeen ertoe heeft geleid dat [verweerder] per 1 augustus 2013 is gaan re-integreren op een tijdelijke positie in Breda. Niettemin bleef [verweerder] psychische klachten ervaren. Oeij wilde hier geen arbeidsongeschiktheid aan toekennen. Hij bleef de klachten in het kader van het arbeidsconflict zien. [verweerder] werd dan ook opgeroepen om zijn werk op 28 oktober 2013 te hervatten. Ondanks het feit dat hij zich zeer slecht voelde, is [verweerder] naar het werk gegaan om zich ziek te melden en te zeggen dat hij een afspraak met zijn behandelaar had. Dezelfde dag is [verweerder] opgenomen in het psychiatrische crisiscentrum. De behandelaar van [verweerder] heeft Oeij hierover geïnformeerd. De email van 7 november 2013, waarin [verzoekster] [verweerder] verzocht uitleg te geven over zijn afwezigheid en om een verklaring van het crisiscentrum over te leggen, was dan ook volledig ongepast. Tijdens de gesprekken met Oeij van 19 november 2013 en 9 december 2013 heeft [verweerder] voor nadere informatie over zijn psychische gesteldheid verwezen naar zijn behandelaar. Zonder de behandelaar te raadplegen, heeft Oeij geconcludeerd dat hij geen beperkingen kon vaststellen. Voor [verzoekster] was dit aanleiding het loon van [verweerder] stop te zetten. [verweerder] heeft het UWV om een second opinion gevraagd en is in het gelijk gesteld.

4.5.
Aangezien [verzoekster] zeer verwijtbaar gehandeld heeft en het conflict te lang heeft laten voorduren, is een vergoeding met correctiefactor 3 op zijn plaats.

4.6.
De overige stellingen van [verweerder] worden – voor zover van belang – in de beoordeling besproken.

5 De beoordeling van de vordering
5.1.
Op de voet van het in artikel 7:685 lid 1 BW bepaalde dient de kantonrechter zich er van te vergewissen of het verzoek verband houdt met een opzegverbod, hier meer in het bijzonder het opzegverbod tijdens ziekte.

5.2.
Uit de producties 13, 15 en 16 bij het verweerschrift blijkt genoegzaam dat naast situatieve arbeidsongeschiktheid, (thans) tevens sprake is van een (als gevolg van het tussen partijen bestaande arbeidsconflict ontstane) medisch objectiveerbare aandoening en dus van ziekte in de zin van artikel 7:629 BW. Er dient dan ook beoordeeld te worden of er in de gegeven omstandigheden reflexwerking toekomt aan het opzegverbod tijdens ziekte (artikel 7:670 lid 1 BW).

5.3
Uit de stukken en het ter zitting verhandelde is voldoende gebleken dat de mogelijkheden voor een vruchtbare voortzetting van de arbeidsrelatie tussen partijen niet langer reëel zijn. Daarbij is in aanmerking genomen dat [verweerder] in zijn verweerschrift heeft aangevoerd dat, hoewel hij het onrechtvaardig acht dat [verzoekster] opnieuw om ontbinding van de arbeidsovereenkomst verzoekt, de situatie inmiddels dusdanig geëscaleerd is dat het ook niet meer in zijn belang is om de arbeidsovereenkomst langer te laten voortduren. Derhalve is sprake van een verandering in de omstandigheden van dien aard dat deze, niettegenstaande de nog gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van [verweerder], welke deels situatief van aard is, onder de gegeven omstandigheden een gewichtige reden vormt die tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst noopt. De kantonrechter zal de arbeidsovereenkomst dan ook ontbinden per 1 mei 2014.

5.4
Resteert de vraag of een vergoeding voor [verweerder] ten laste van [verzoekster] op zijn plaats is. Bij de vaststelling hiervan is van betekenis of aan een van de partijen het ontstaan van de ontbindingsgrond in overwegende mate is te verwijten of toe te rekenen. Het volgende wordt overwogen.

5.4.1.
Mede gelet op de impact die de aan de hiervoor onder 2.3. genoemde ontbindingsprocedure ten grondslag gelegde beschuldigingen en de (in het nadeel van [verzoekster] beslechte) ontbindingsprocedure zelf op de psychische gesteldheid en het privéleven van [verweerder] heeft gehad, [verweerder] heeft gesteld dat zijn huwelijk mede hierdoor gestrand is, had van [verzoekster] mogen worden verwacht dat zij zoveel mogelijk tegemoet zou komen aan de voorwaarden die [verweerder] aan een – wat hem betreft – goede terugkeer had gesteld (zie productie 6 bij het verweerschrift), zodat de kans op een succesvolle hervatting van de werkzaamheden zo groot mogelijk was. Zo had het, mede gelet op het feit dat het aanvankelijk de bedoeling was dat [verweerder] zou terugkeren op zijn werkplek op de [locatie], op de weg van [verzoekster] gelegen akkoord te gaan met het verzoek van [verweerder] om een mediationtraject te starten. Te meer daar [verzoekster] zelf tijdens de eerste ontbindingsprocedure had gestelde dat collega’s niet meer met [verweerder] wilden samenwerken. Daarnaast had het op de weg van [verzoekster] gelegen dat zij op enige wijze excuses zou aanbieden aan de toenmalig echtgenoot van [verweerder] en dat zij de naam van [verweerder] zou zuiveren. De kantonrechter had immers geoordeeld dat de beschuldigingen aan het adres van [verweerder] niet waren vast komen te staan. In plaats daarvan heeft [verzoekster] haar beschuldigingen gehandhaafd door de hiervoor onder 2.4. geciteerde officiële waarschuwing te geven. Zelfs nadat [verzoekster] er door de voormalige gemachtigde van [verweerder] op gewezen was dat zij een verkeerde uitleg gaf aan de ontbindingsbeschikking en dat het een belangrijke bijdrage zou kunnen leveren aan het herstel van [verweerder] als [verzoekster] terug zou komen op haar standpunten. In haar brief van 23 februari 2011 voegde [verzoekster] hier nog aan toe: “ In september 2010 heeft Reclassering Nederland ([verzoekster]) de kantonrechter verzocht om uw arbeidsovereenkomst te ontbinden wegens veranderingen in de omstandigheden. De kantonrechter heeft dit verzoek, tot teleurstelling van [verzoekster], afgewezen. ”. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [verzoekster] er hiermee blijk van gegeven dat zij [verweerder] nog steeds niet geloofde, waardoor zij het pijnpunt heeft laten doorwoekeren. Dit levert een verwijt in de hiervoor onder 5.4. genoemde zin op.

5.4.2.
Ten aanzien van de op basis van de binnen [verzoekster] van toepassing zijnde Gedragscode en de Klokkenluidersregeling gemelde misstanden is de kantonrechter – net als de kantonrechter zittinghoudende te ’s-Gravenhage – van oordeel dat [verzoekster] heeft gehandeld zoals het een goed werkgever betaamt. Ze heeft de melding van mogelijke misstanden serieus genomen en daar actie op ondernomen door niet alleen zelf onderzoek te doen, maar ook door het inschakelen van Tinguely en Bureau Hoffmann. [verweerder] heeft aangevoerd dat hij vraagtekens zet bij de onafhankelijkheid van Tinguely, omdat de heer [I] zowel voorzitter van de Raad van Toezicht van [verzoekster] als voorzitter van de Raad van Commissarissen van Tinguely is. De kantonrechter acht het in het kader van deze procedure niet aan de orde om over de wijze van uitvoering van het onderzoek te oordelen. Ook heeft [verweerder] aangevoerd dat hij het niet eens is met de uitkomsten van het door Bureau Hoffmann uitgevoerde onderzoek en dat er contra-expertise had moeten plaatsvinden. Ook hiervoor geldt dat het in deze procedure niet aan de kantonrechter is om hierover te oordelen. Aan de andere kant kan het [verweerder] niet tegengeworpen worden dat hij gebruik heeft gemaakt van de binnen [verzoekster] van toepassing zijnde Gedragscode en de Klokkenluidersregeling. [verzoekster] heeft dit ook niet aan haar verzoek tegen grondslag gelegd. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat partijen ter zake van de op basis van de binnen [verzoekster] van toepassing zijnde Gedragscode en de Klokkenluidersregeling gemelde misstanden, respectievelijk de wijze waarop met de meldingen is omgegaan, geen verwijt in de hiervoor onder 5.4. genoemde zin kan worden gemaakt.

5.4.3.
Voorts is door [verzoekster] aangevoerd dat [A] op 28 september 2012 benaderd is door het ministerie van Veiligheid en Justitie in verband met aan de staatssecretaris gestelde kamervragen over vermeende misstanden bij de [locatie]. De kamervragen waren gebaseerd op informatie van de Expertgroep Klokkenluiders (nader te noemen: de Expertgroep), die namens de drie Klokkenluiders optrad, aldus [verzoekster]. Nu gesteld noch gebleken is dat [verweerder] de Expertgroep opdracht gegeven heeft voornoemde informatie aan een van de kamerleden te verschaffen c.q. ermee ingestemd heeft dat de Expertgroep de informatie zou verschaffen, kan hier geen verwijt in de hiervoor onder 5.4. gedoelde zin uit gedestilleerd worden. Ditzelfde geldt voor het op 14 oktober 2013 in het Algemeen Dagblad verschenen artikel over misstanden bij de [locatie]. Gesteld noch gebleken is immers dat [verweerder] meegewerkt heeft aan de totstandkoming van het artikel. Wel staat als onweersproken vast dat de Klokkenluiders het ministerie van Veiligheid en Justitie op
15 oktober 2013 hebben verzocht om onderzoek te doen naar mogelijk (strafrechtelijk) verwijtbaar handelen van [A] en [B]. De kantonrechter oordeelt hieromtrent als volgt. In zijn arrest van 26 oktober 2012 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het uitgangspunt is dat een werknemer zijn vermoeden van een misstand (eerst) intern meldt. Er zijn uitzonderingen op dit uitgangspunt, zoals de situatie dat voor de werknemer een regeling geldt waaruit volgt dat de melding van een misstand anders dan intern dient te geschieden of indien van een interne melding niets verwacht mag worden omdat de directie van de misstand op de hoogte is en er niets aan doet (NJ 2013/220), maar gesteld noch gebleken is dat dit in de onderhavige zaak aan de orde is. [verzoekster] heeft gesteld dat [verweerder] zich, toen hij zich niet kon verenigen met de uitkomst van het onderzoek van Bureau Hoffmann, op grond van artikel 4.1. van de Klokkenluidersregeling had moeten richten tot de Raad van Toezicht van [verzoekster]. Verwijzend naar de als productie 26 bij het verzoekschrift overgelegde brief van de Klokkenluiders aan de Raad van Toezicht van [verzoekster] d.d 28 september 2012 stelt [verweerder] dat hij dit heeft gedaan. In de brief staat immers “ Ook bij het hoger management werd officieel melding gemaakt van de wanorde die er op de werkvloer heerste. Nadat klagers volgens de hiërarchische weg binnen de organisatie melding hadden gemaakt van de heersende wanorde en misstanden, werden deze op teleurstellende wijze afgehandeld. ” en de op de misstanden betrekking hebbende bijlagen waren bijgevoegd om de Raad van Toezicht te laten zien dat het onderzoek niet deugde, aldus [verweerder]. De kantonrechter kan [verweerder] niet in zijn stellingen volgen. Hoewel de Klokkenluiders de gang van zaken rond de melding van de misstanden in de brief van 28 september 2012 aan de Raad van Toezicht uiteenzetten, formuleren zij de klacht als volgt:


Handelen in strijd met basale voorwaarden met betrekking tot het aangaan van mediation.

Het in samenspanning met de mediator schenden van de professionele richtlijnen en regels bij de aanvang (start) en uitvoering van een mediation tussen [B] en [F].

Belangenverstrengeling, verwijtbare samenspanning en uitoefening van ongeoorloofde dwang.

Het samenspannen met een niet onafhankelijke en onbetrouwbare mediator.
Mede gelet op de stelling van [verweerder] dat hij, vanwege zijn arbeidsongeschiktheid, niets van doen had met voornoemd schrijven kan uit het voorgaande niets anders worden opgemaakt dan dat de klachten betrekking hebben op de mediationtrajecten van [F] en [E]. Dat in de bijlagen stukken opgenomen zijn over (het onderzoek naar) de misstanden, maakt dit niet anders. Daarbij is in overweging genomen dat nergens in de brief wordt aangegeven welke gevolgen de Raad van Toezicht aan deze bijlagen moet verbinden. Het moet er dan ook voor gehouden worden dat [verweerder] de vermeende misstanden extern bekend heeft gemaakt, zonder dat de interne procedure volledig gevolgd was. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [verweerder] daarmee bijgedragen aan het ontvallen van de voor een vruchtbare samenwerking noodzakelijke vertrouwensbasis.
5.4.4.
[verweerder] heeft nog aangevoerd dat [verzoekster] het niet nodig vond naar aanleiding van het overlijden van de vertrouwenspersoon, op verzoek van de Klokkenluiders, een nieuwe vertrouwenspersoon aan te wijzen. Het volgende wordt overwogen. Uit de processtukken blijkt dat de Klokkenluiders [A] in de email van 2 april 2012 verzoeken de leden van de Expertgroep tijdelijk aan te wijzen als vertrouwenspersoon. In hun email van 7 mei 2012 hebben de Klokkenluiders dit verzoek herhaald. In zijn email van 16 mei 2012 heeft [A] gereageerd met de mededeling dat hij er geen bezwaar tegen heeft als de Klokkenluiders de Expertgroep vragen om advies en dat de Klokkenluiders bij een verschil van mening over de overplaatsing beter juridische bijstand kunnen zoeken. Nu [verweerder] verder geen feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die zijn verweer kunnen dragen, is de kantonrechter gelet op het voorgaande van oordeel dat ter zake dit punt niet geoordeeld kan worden dat [verzoekster] verwijtbaar behandeld heeft.

5.4.5.
Wel is de kantonrechter van oordeel dat [verzoekster] de vertrouwensbreuk heeft vergroot met de wijze waarop zij [verweerder] (in ieder geval) vanaf 28 oktober 2013 bejegend heeft. Blijkens de – in zoverre niet betwiste – als productie 34 bij het verzoekschrift overgelegde email van de vader van [verweerder] (hierna te noemen: de vader), waarin de vader op 30 oktober 2013 reageert op de email van [verzoekster] dat [verweerder] sinds 28 oktober 2013 ongeoorloofd afwezig is, heeft de vader [verzoekster] ervan op de hoogte gesteld dat [verweerder] op 28 oktober 2013 opgenomen is in een psychiatrisch crisiscentrum. Ook heeft de vader gemeld dat Oeij hier door de behandelaar van [verweerder] over geïnformeerd is, waarbij de behandelaar aangegeven heeft dat volledige radiostilte tussen [verzoekster] en [verweerder] gedurende drie tot zes maanden geïndiceerd is. Desondanks heeft [verzoekster] [verweerder] bij brief van 7 november 2013 gesommeerd binnen een week contact op te nemen om de huidige situatie te bespreken en een verklaring van het crisiscentrum over te leggen. Bij brief van 12 november 2013 heeft [verzoekster] dit verzoek herhaald, waardoor [verweerder] zich ondanks zijn psychische gesteldheid genoodzaakt voelde zich op 12 november 2013 persoonlijk ziek te melden. Daar komt bij dat [verzoekster] de loondoorbetaling per 10 december 2013 heeft stopgezet, omdat [verweerder] – volgens [verzoekster] – niet meegewerkt had aan zijn re-integratie door tijdens de spreekuurconsulten met Oeij van 21 november 2013 en 9 december 2013 te weigeren informatie te geven, waardoor Oeij geen probleemanalyse kon opstellen. Uit de productie 38 en 39 bij het verzoekschrift blijkt echter dat [verweerder] de bedrijfsarts tijdens voornoemde spreekuurconsulten voor zijn medische gesteldheid verwezen heeft naar zijn behandelaar, hetgeen zijn goed recht is, zodat van het niet meewerken aan zijn re-integratie geen sprake is. [verzoekster] heeft de loonsanctie dan ook ten onrechte toegepast. Bovendien, zo blijkt uit de – in zoverre niet betwiste – brief van de vader van [verweerder] d.d. 13 december 2013, heeft Oeij telefonisch contact gehad met de behandelaar van [verweerder], heeft hij drie brieven van de behandelaar van [verweerder] ontvangen en heeft hij een kopie ontvangen van de onderzoeksresultaten van twee onafhankelijke medische onderzoeken die in het kader van een arbeidsdeskundig onderzoek zijn uitgevoerd. Oeij beschikte dan ook over voldoende informatie om een probleemanalyse op te stellen of had hier door raadpleging van de behandelaar van [verweerder] over kunnen beschikken. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [verzoekster] met haar voornoemde handelswijze extra druk op de toen al kwetsbare verhouding tussen partijen gelegd, hetgeen haar verweten kan worden. Overigens staat het [verweerder] vrij een klacht in te dienen tegen de bedrijfsarts, zodat dit – anders dan [verzoekster] stelt – geen verwijtbaar gedrag in de hiervoor onder 5.4. genoemde zin kan opleveren.

5.4.6.
Gelet op de brief van de behandelaar van [verweerder] van 28 oktober 2013, waarin hij aangeeft dat een radiostilte van 3 á 6 maanden tussen [verzoekster] en [verweerder] geïndiceerd is, is de kantonrechter van oordeel dat het [verweerder] niet verweten kan worden dat hij niet verschenen is op de gesprekken met [A] van 23 januari 2014 en 28 januari 2014. Daarbij is in overweging genomen dat [verweerder] in zijn emails van 23 januari 2014 en 28 januari 2014 heeft aangeven dat zijn medische situatie het niet toeliet overleg te voeren. Indien [verzoekster] deze mededeling van [verweerder] onvoldoende achtte, had zij de bedrijfsarts moeten verzoeken nadere informatie bij de behandelaar van [verweerder] op te vragen.

5.4.7
Op grond van het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat [verzoekster] een groter verwijt ten aanzien van het ontstaan van de ontbindingsgrond kan worden gemaakt dan [verweerder].

5.4.8.
Voornoemde omstandigheden in aanmerking genomen, alsmede de lengte van het dienstverband van [verweerder], de hoogte van zijn salaris, zijn leeftijd, zijn – deels door de arbeidsomstandigheden veroorzaakte – arbeidsongeschiktheid en zijn kansen op de arbeidsmarkt wordt een vergoeding op grond van de kantonrechtersformule met correctiefactor C=1,7, te weten € 26.820,29 bruto billijk geacht.

5.5.
Aan [verzoekster] wordt, conform het bepaalde in artikel 7:685 lid 9 BW, de mogelijkheid geboden het verzoek in te trekken. Zij krijgt daarvoor de gelegenheid tot 30 april 2014.

5.6.
De proceskosten zullen, gelet op de aard van de procedure, worden gecompenseerd in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt, tenzij [verzoekster] de procedure intrekt. In het laatste geval wordt [verzoekster] veroordeeld in de proceskosten, die worden vastgesteld op € 400,00 aan salaris voor de gemachtigde.

6 De beslissing
De kantonrechter:

geeft [verzoekster] tot 30 april 2014 de gelegenheid het verzoek in te trekken;
voor het geval het verzoek wordt ingetrokken:
veroordeelt [verzoekster] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] vastgesteld op € 400,00 aan salaris voor zijn gemachtigde;
en voor het geval het verzoek niet wordt ingetrokken:
ontbindt de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 mei 2014;
kent aan [verweerder] ten laste van [verzoekster] een vergoeding toe van €26.820,29 bruto en veroordeelt [verzoekster] deze vergoeding te betalen;
bepaalt dat elk der partijen de eigen kosten van deze procedure draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. K.J. Bezuijen en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

Uitspraak 1 december 2008: Strafontslag klokkenluider

RECHTBANK AMSTERDAM
Sector Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 08/4158 AW

Uitspraak van de voorzieningenrechter

in de zaak tussen:

[verzoeker],
wonende te [woonplaats],
verzoeker,
gemachtigde: mr. V.S.M. Sturkenboom, werkzaam bij het JuristenTeam te Groningen,
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,
verweerder,
gemachtigde: mr. R.C.D. van der Linde, arbeidsjurist bij verweerders Dienst Werk en Inkomen (DWI).
1. Procesverloop

Verzoeker heeft op 22 oktober 2008 een verzoek ingediend tot het treffen van een voorlopige voorziening. Dit verzoek hangt samen met het door verzoeker ingediende bezwaarschrift van 12 oktober 2008 tegen het besluit van verweerder van 25 september 2008 (hierna: het bestreden besluit).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De voorzieningenrechter (hierna ook: de rechter) heeft het verzoek ter zitting behandeld op 18 november 2008.

Verzoeker is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1. Feiten

2.1.1. Verzoeker is sinds 2004 in vaste dienst werkzaam als re-integratieconsulent bij Werkbedrijf de Herstelling binnen het team Herstelling uitvoering 1.
De Herstelling is in 2006 opgegaan in en deel gaan uitmaken van de DWI.
Voor zijn werkzaamheden maakt verzoeker gebruik van een dienstauto. Het werkverkeer bestaat uit onder meer het bezoeken van de fortenlocaties.
De dienstauto van verzoeker is vanaf 17 september 2007 voorzien van een blackbox teneinde op eenvoudige wijze de privé- en werkkilometers te kunnen registreren.
2.1.2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder verzoeker met onmiddellijke ingang onvoorwaardelijk ontslag opgelegd op grond van artikel 1003, eerste lid, aanhef en onder f, van het Ambtenarenreglement Amsterdam (ARA). Verweerder is van mening dat verzoeker zowel de Belastingdienst als de DWI heeft opgelicht dan wel heeft proberen op te lichten. Verzoeker heeft er blijk van gegeven niet open, transparant en integer te zijn. De straf van onvoorwaardelijk ontslag is gerechtvaardigd en zonder meer passend vanwege de frauduleuze en niet-integere handelingen van verzoeker, aldus verweerder. Volgens verweerder is uit en na onderzoek gebleken dat verzoeker:
– heeft getracht niet gewerkte tijd als werktijd te (laten) registreren;
– in strijd met de regels de dienstauto (bovenmatig) privé heeft gebruikt, waardoor sprake is van misbruik van diensteigendommen;
– bewust onjuist gegevens in de blackbox administratie heeft ingevoerd, zodat werd verbloemd dat hij meer dan 500 privé-kilometers reed;
– de DWI schade heeft berokkend doordat de benzinekosten van zijn privé-kilometers ten laste van de DWI zijn gekomen en doordat hij veelvuldig de dienstauto privé heeft gebruikt, waardoor de auto en de auto-onderdelen versneld aan slijtage onderhevig zijn geweest, waarbij ook de restwaarde van de auto is verminderd;
– de dienstauto ook tijdens ziekte (fors) privé heeft gebruikt, op basis waarvan het vermoeden aanwezig is dat sprake is van ongeoorloofd verzuim;
– de tankpas van de DWI heeft gebruikt om diesel voor zijn privé-auto aan te schaffen, waarbij tevens wordt opgemerkt dat verzoeker aanzienlijke hoeveelheden ruitenvloeistof en olie met de tankpas heeft aangeschaft.
2.2. Standpunt van verzoeker

Verzoeker heeft betwist dat er sprake is van plichtsverzuim en heeft aangevoerd dat er onvoldoende gegevens voorhanden zijn om die conclusie te staven. Verzoeker heeft voorts aangevoerd dat het strafontslag als onevenredig moet worden aangemerkt. Verder heeft verzoeker naar voren gebracht dat de zaken die hem door verweerder worden tegengeworpen nooit op een reguliere wijze binnen het werk ter sprake zijn gebracht en dat dit ook niet met hem is besproken. Van opzet aan de kant van verzoeker is naar zijn zeggen geen sprake geweest. Voorts heeft verzoeker zich op het standpunt gesteld dat hij als een klokkenluider tewerk is gegaan en daaropvolgend ten onrechte door verweerder is bestraft.

2.3. Het wettelijk kader

2.3.1. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht kan de voorzieningenrechter van de rechtbank op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Bij de vereiste belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van verzoeker dat onverwijld een voorziening wordt getroffen en anderzijds het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang. Voor zover deze toetsing meebrengt dat een oordeel wordt gegeven over het geschil in de bodemprocedure, heeft dit oordeel een voorlopig karakter en is dit niet bindend voor de beslissing in de bodemprocedure.
2.3.2. Ingevolge artikel 204 van het ARA dient de ambtenaar de hem gegeven voorschriften op te volgen en in het algemeen alles te doen of na te laten dat een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.
2.3.3. Ingevolge artikel 1001 van het ARA kunnen burgemeester en wethouders de ambtenaar straffen, indien hij in strijd met het bepaalde in artikel 204 handelt of nalaat te handelen en zich deswege schuldig maakt aan plichtsverzuim.

2.3.4. Ingevolge artikel 1003, eerste lid, aanhef en onder f, van het ARA is ontslag één van de straffen die de ambtenaar opgelegd kan krijgen. Ingevolge het derde lid van dit artikel – voor zover van belang – kan het ontslag ingaan op de dag volgende op die, waarop de grond voor het ontslag voor het eerst aanwezig was.

2.4. Overwegingen van de rechter

2.4.1. De rechter stelt voorop dat volgens vaste jurisprudentie in het ambtenarenrecht ten aanzien van een geval als het onderhavige geldt dat op basis van deugdelijk vastgestelde gegevens aannemelijk moet zijn geworden dat de desbetreffende ambtenaar zich aan de verweten gedragingen heeft schuldig gemaakt.

2.4.2. Verweerder heeft gesteld te vermoeden dat sprake is geweest van ongeoorloofd verzuim door verzoeker. Een vermoeden is echter onvoldoende om de conclusie van plichtsverzuim te staven. De rechter gaat er daarom van uit dat in dit opzicht van plichtsverzuim geen sprake is.

2.4.3. De rechter volgt verweerder wel in diens standpunt dat de gedingstukken voldoende grondslag bieden voor de conclusie dat van plichtsverzuim sprake is. De rechter is dan ook van oordeel dat verweerder bevoegd was tot het opleggen van een disciplinaire sanctie.

2.4.4. Aan de orde is vervolgens of naar voorlopig oordeel bij het bepalen van de sanctie is gebleven binnen de grenzen van het evenredigheidsbeginsel. Daarbij is allereerst van belang de ernst van het plichtsverzuim.

2.4.5. Verweerder meent dat sprake is van zeer ernstig plichtsverzuim, en heeft daarbij termen als “frauduleus” en “oplichting” gebruikt. Verweerder is daarbij uitgegaan van opzettelijk handelen. Ook heeft verweerder verwezen naar een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 10 januari 2008 (LJN: BC2391).

Naar voorlopig oordeel houdt de verwijzing naar de uitspraak van de CRvB geen stand. In die zaak was, anders dan in casu, sprake van een eerdere sanctieoplegging aan de betrokken ambtenaar.

Met betrekking tot de door verweerder gehanteerde kwalificatie “zeer ernstig plichtsverzuim” overweegt de rechter verder als volgt.

2.5. Het registreren van niet gewerkte tijd als werktijd

2.5.1. Het dossier bevat geen exacte verslaglegging op dit punt. Met name is daarin niet een verklaring aangetroffen van [persoon 1], de secretaresse tegenover wie verzoeker op 4 januari 2008 zou hebben verklaard dat hij op 27 en 31 december 2007 heeft gewerkt. Door het ontbreken van een (ondertekende) verklaring van [persoon 1] is niet komen vast te staan wat verzoeker precies is gevraagd en wat verzoeker tegen haar heeft gezegd. Dit klemt te meer omdat verzoeker heeft gesteld dat hij dacht dat hij het verlof niet hoefde op te geven omdat het zou gaan om zogenoemde klemdagen. Verzoeker heeft ook direct, tijdens het eerste verantwoordingsgesprek waarin is gesproken over verlofdagen – het betreft hier het tweede interview met verzoeker op 10 april 2008 – verteld dat hij op 27 en 31 december 2007 niet heeft gewerkt, maar dat het erg onduidelijk was of men al dan niet vrij had.

2.5.2. Verzoeker heeft daaraan nog toegevoegd van mening te zijn dat hij geen verantwoording hoeft af te leggen aan de secretaresse. Ter zitting heeft verzoeker bovendien aangevoerd dat het opgaan van de Herstelling in de DWI in 2006 tot veel onduidelijkheid heeft geleid. Deze stelling vindt steun in de stukken, getuige de gang van zaken rond de ‘vijf hoofdzonden’.
In dat licht kan bepaald niet op voorhand worden uitgesloten dat ten aanzien van het niet opgeven van de verlofuren misverstanden enige rol hebben gespeeld.
2.6. Het bovenmatige privégebruik van de dienstauto

2.6.1. Verweerder ging in de onderhavige procedure aanvankelijk uit van de norm dat er in het geheel niet privé mocht worden gereden met de ter beschikking gestelde dienstauto’s. De rechter stelt vast dat verweerder dit standpunt in een later stadium heeft gewijzigd. Ook is gebleken dat verzoeker de verklaringen ten aanzien van het privégebruik van de auto, anders dan waar verweerder oorspronkelijk vanuit ging, nimmer heeft ondertekend.
Verweerder is uiteindelijk uitgegaan van de door de Belastingdienst gestelde grens van 500 privé-kilometers per jaar.
2.6.2. Verweerder is er voorts van uitgegaan dat er op 10 november 2007 in een werkoverleg aandacht is besteed aan het vertrek van een collega. In het werkoverleg zou de toenmalige directeur van de Herstelling, [per[persoon 2] (hierna: [persoon 2]), hebben medegedeeld waarom de betreffende collega is vertrokken. Dit zou verband houden met misbruik van de dienstauto en onjuiste registratie van gereden kilometers. Verzoeker heeft op dit punt gesteld dat nooit duidelijk is geworden waarom de betreffende ex-collega is weggegaan. De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting vervolgens uitdrukkelijk erkend dat dit niet duidelijk is en dat zelfs niet duidelijk is op welke wijze de ex-collega de DWI heeft verlaten. Of dit met een gevraagd of een ongevraagd (straf)ontslag is gebeurd is onduidelijk. Ook in dit opzicht lijkt van een duidelijke normstelling door de werkgever dus geen sprake te zijn geweest.

2.6.3. De rechter merkt met betrekking tot het opgeven van privé-kilometers als dienstkilometers voorts op dat uit de dossierstukken niet blijkt in hoeverre er sprake is van opzet dan wel van schuld, nalatigheid of nonchalance. Daarbij merkt de rechter nog op dat verzoeker heeft gesteld ook regelmatig dienstkilometers te hebben gemaakt met de privéauto.

2.6.4. Verweerder heeft bij het bestreden besluit voorts overwogen dat verzoeker met de tankpas van de DWI een opmerkelijke hoeveelheid ruitensproeiervloeistof heeft gekocht. Blijkens de motivering van verweerder betreft het hier niet de kern van de zaak, maar ook hiervan is niet duidelijk of hier van laakbare opzet dan wel van schuld, nonchalance of achteloosheid sprake was.

2.7. Voor het overige

2.7.1. Verzoeker heeft naar voren gebracht dat hij heeft getracht als klokkenluider te opereren en dat hij daar nu het slachtoffer van dreigt te worden. Verzoeker heeft binnen de Herstelling een integriteitmelding gedaan van onzorgvuldig handelen door [persoon 2]. Dit onzorgvuldig handelen betrof volgens verzoeker het onder de algemene mappen plaatsen van persoonlijke dossiers van medewerkers. Verzoeker heeft zich op het standpunt gesteld dat de DWI direct na zijn melding een onderzoek naar hem heeft ingesteld.

2.7.2. De rechter ziet voor een direct verband tussen beide onderzoeken geen aanleiding, aangezien onderhavig onderzoek naar de gedragingen van verzoeker al in januari 2008 van start is gegaan, naar aanleiding van de melding van Verkaik. Dat laat echter onverlet dat de melding door [persoon 2] ook een rol heeft gespeeld in het onderzoek.

2.7.3. Ter zitting heeft verweerders gemachtigde verklaard dat inderdaad sprake was van het plaatsen van persoonsgegevens door [persoon 2] op een openbare plek. Hij heeft hieraan toegevoegd dat dit niet juist was en dat [persoon 2] hierop is aangesproken.

2.7.4. Uit de gedingstukken komt dit echter niet naar voren. Uit de stukken blijkt daarentegen wel dat [persoon 2] op 5 maart 2008 een melding heeft gedaan over verzoeker en dat juist verzoeker indringend is aangesproken op de privacybrekende elementen van zijn actie.
Dat ieder verband tussen beide voorvallen ontbreekt is in dat licht niet direct aannemelijk.
2.7.5. Verzoeker heeft zich ter zitting ook nog beroepen op medische/psychische problemen. Blijkens een medische verklaring van de huisarts van 28 mei 2008 die zich bevindt onder de gedingstukken is sprake van een depressie bij verzoeker. Daarmee is echter geen verklaring gegeven voor het handelen van verzoeker. Verzoekers gemachtigde heeft er ter zitting van afgezien een nader stuk over de psychische gesteldheid van verzoeker aan de rechter over te leggen.
De rechter ziet dan ook geen grond voor het oordeel dat verzoeker, gelet op zijn persoonlijke omstandigheden, het plichtsverzuim niet of verminderd zou dienen te worden toegerekend.
2.8. Conclusie

2.8.1. Gelet op hetgeen onder 2.4.1 tot en met 2.7.5 is overwogen, is het gegeven strafontslag naar voorlopig oordeel onevenredig te achten. Daarbij neemt de rechter ook nog in aanmerking dat verzoeker altijd naar behoren heeft gefunctioneerd. Weliswaar bevinden zich in het dossier geen verslagen van functionerings- of beoordelingsgesprekken, maar uit de overgelegde brief en e-mail van [persoon 3] van respectievelijk 12 januari en 14 oktober 2005 volgt dat verzoeker goed heeft gefunctioneerd en dat hij goede resultaten heeft geboekt. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder het goede functioneren van verzoeker uitdrukkelijk onweersproken gelaten.

2.8.2. Dat leidt tot de conclusie dat naar verwachting het bestreden besluit in bezwaar niet gehandhaafd zal kunnen worden, en dat er met name onvoldoende grond is om het dienstverband met verzoeker definitief te verbreken.

2.8.3. De rechter ziet aanleiding het bestreden besluit met ingang van 22 oktober 2008 – de datum waarop het verzoekschrift van verzoeker door de rechtbank is ontvangen – te schorsen tot zes weken na de bekendmaking van de te nemen beslissing op bezwaar.

2.8.4. De rechter ziet voorts aanleiding om verweerder te veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten, begroot op een bedrag van € 644,00 en om te bepalen dat het door verzoeker betaalde griffierecht aan hem dient te worden vergoed.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

– wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe;
– schorst het bestreden besluit van 25 september 2008 met ingang van 22 oktober 2008 tot zes weken nadat de beslissing op het bezwaar van verzoeker aan hem is bekendgemaakt;
– veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker, begroot op € 644,00 (zegge: zeshonderd vierenveertig euro), te betalen door de gemeente Amsterdam aan verzoeker;
– bepaalt dat de gemeente Amsterdam het voor het verzoek gestorte griffierecht van € 145,00 aan verzoeker vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan op 1 december 2008 door mr. H.J. Tijselink, voorzieningenrechter,
in tegenwoordigheid van mr. S. van der Eijk, griffier,
en bekendgemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.
De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.