0

Ontslagen NAM-medewerker: Ik ging door een hel en mijn gezin ook

ASSEN – De rechtbank in Assen zat vanmiddag bomvol met collega’s van Bob van Luijk uit Beilen. Van Luijk werd na 31 jaar trouwe dienst plotseling ontslagen door de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM).

Bob van Luijck is naast business-analist bij de NAM ook nog voorzitter van de FNV kadergroep van de NAM en bestuurder bij een pensioenfonds. De NAM heeft Van Luijk begin oktober op staande voet ontslagen, omdat hij in zijn werk als bestuurder van een pensioenfonds vertrouwelijke informatie zou hebben gedeeld met zijn collega’s van de vakbond FNV. De man loopt door het ontslag een vergoeding mis van meer dan vijf ton.

Ik krijg heel veel steun van collega’s en dat doet me erg goed, want ik ben de afgelopen maanden echt door een hel gegaan. En ik niet alleen, mijn gezin ook.

Bob van Luijk

Gevoelige informatie
De advocaat van Van Luijk betoogde vandaag dat het helemaal niet om gevoelige informatie gaat. “Het gaat om een juridisch uiteenzetting die ook gewoon terug te vinden is op het internet. Het is openbare informatie”, aldus advocaat Van Genderen. Volgens Van Luijk wordt hij bestraft door de NAM, omdat hij mee heeft gewerkt aan een procedure van het FNV bij de Commissie van de Rechten van de Mens. Die procedure gaat over nieuwe, veel slechtere pensioenregelingen die de Shell heeft doorgevoerd. Er zou daarbij mogelijk sprake zijn van leeftijdsdiscriminatie.

Principieel
Op de publieke tribune zaten veel collega-vakbondsleden voor wie deze ontslagzaak een principiële zaak is. “Als dit ontslag wordt bekrachtigd door de rechter, komt het vakbondswerk onder druk te staan. Schandalig dat hij op staande voet wordt ontslagen voor informatie die gewoon op internet is te vinden en die hij alleen met enkele FNV-collega’s deelde. Voor ons is het simpel: zo’n aanval op onze leden accepteren wij niet”, aldus FNV-bestuurder Mariëtte Patijn.

Microscopisch
Alle details van het onderzoek en van de informatie die zou zijn gelekt weren tijdens de zitting besproken, De NAM pareerde alle argumenten van de advocaat van Van Luijk. “Je moet deze zaak niet microscopisch benaderen. Het gaat om de informatie die is gelekt naar de vakbondsleden. Daar is Van Luijk in de fout gegaan”, aldus advocaat Sagel van de NAM.

Oplossing
De rechtbank doet over vier weken uitspraak of het ontslag van Van Luijk moet worden teruggedraaid of niet. Tenzij Van Luijk en de NAM zelf nog met een oplossing komen. Beide partijen geven die oplossing, naar alles wat er is gebeurd, nog een hele kleine kans.

0

Geen verbeterkans voor ambtenaar met alcoholprobleem

Geen verbeterkans voor ambtenaar met alcoholprobleem

CRvB 30 oktober 2014 | Alcohol gebruik en werk zijn niet te combineren. Dat ondervond ook een brugwachter in Noord-Holland. De brugwachter was al een aantal malen niet (op tijd) op zijn dienst verschenen, omdat hij de avond daarvoor veel alcohol had gedronken. De Centrale Raad van Beroep was van oordeel dat de brugwachter geen gelegenheid meer hoefde te worden gegeven om te verbeteren.

De Raad, de hoogste rechtsprekende instantie, kwam tot dat oordeel. Hij vond dat de brugwachter had moeten beseffen dat het onder werktijd drinken van alcohol, waardoor hij niet meer in staat was zijn werkzaamheden te verrichten, ontoelaatbaar was. Zeker gezien de eerder gegeven berisping.

 


De uitspraak

13/2078 AW
Datum uitspraak: 30 oktober 2014
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van
4 maart 2013, 11/4082 AW (aangevallen uitspraak)
Partijen:
het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland (appellant)
[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Betrokkene heeft geen verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 september 2014. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I.H. Busker, ing. D. Jabar en drs. J.J. van den Burg. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. S.C. van Bunnik, advocaat.
OVERWEGINGEN
1.1.
Betrokkene was sinds 1998 werkzaam bij de provincie Noord-Holland als bedienaar kunstwerken (brugwachter).
Op 30 maart 2010 heeft appellant het voornemen geuit betrokkene de disciplinaire straf van een schriftelijke berisping op te leggen wegens plichtsverzuim, bestaande uit het ongeoorloofd afwezig zijn op 9 januari, 10 februari en 13 maart 2010. Daarbij is tevens kenbaar gemaakt dat appellant zich zal beraden op het opleggen van een andere gepaste disciplinaire straf, mogelijk ontslag, indien betrokkene nogmaals niet op het werk verschijnt terwijl hij wel is ingeroosterd. Betrokkene heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om zijn zienswijze op dit voornemen kenbaar te maken. Bij besluit van 18 mei 2010 heeft appellant, overeenkomstig het voornemen en onder overneming van de daarin opgenomen overwegingen, betrokkene de schriftelijke berisping opgelegd.
1.2.
Op 8 juni 2010 heeft de politie bij toeval tijdens het surveilleren betrokkene in een beschonken toestand aangetroffen, liggend op de trap buiten het brugwachterskantoortje. De politie heeft vervolgens een alcoholtest bij betrokkene afgenomen. Daarin is een promillage van ver boven 1,3 geconstateerd. Omdat het volgens de politie niet meer verantwoord was dat betrokkene de brug zou blijven bedienen, is hij zo snel mogelijk vervangen. Op 14 juni 2010 heeft de HRM-adviseur en betrokkenes leidinggevende met betrokkene over dit voorval gesproken. Betrokkene heeft toen erkend dat hij een alcoholprobleem had. Bij besluit van
14 juni 2010 is betrokkene, in verband met een nader onderzoek naar het voorval op
8 juni 2010, met behoud van bezoldiging voor onbepaalde tijd geschorst. Nadat betrokkene met de bedrijfsarts en bedrijfsmaatschappelijk werker had gesproken, heeft hij zich begin juli 2010 bij de Jellinekkliniek onder behandeling gesteld.
1.3.
Op 28 oktober 2010 heeft appellant het voornemen geuit betrokkene, met toepassing van artikel B.9, aanhef en onder h, van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling Provincies (CAP), ontslag te verlenen wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de vervulling van zijn functie anders dan wegens ziekte. Daaraan is met name het voorval op 8 juni 2010 ten grondslag gelegd, maar ook is daarbij betrokken het feit dat kort daarvoor nog de disciplinaire maatregel van een schriftelijke berisping is opgelegd in verband met ongeoorloofde afwezigheid op drie werkdagen. In het voornemen is voorts vermeld dat er voldoende aanleiding was voor disciplinair ontslag, maar dat appellant daarvoor uiteindelijk niet heeft gekozen, gezien de financiële consequenties daarvan voor betrokkene. Betrokkene heeft geen gebruik gemaakt van de hem geboden gelegenheid om zijn zienswijze op dit voornemen kenbaar te maken. Bij besluit van 10 december 2010 is betrokkene overeenkomstig dit voornemen en onder overneming van de daarin opgenomen overwegingen met ingang van 15 januari 2011 ontslag verleend wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de vervulling van zijn functie anders dan wegens ziekte. Bij besluit van 24 mei 2011 (bestreden besluit) is het bezwaar tegen het besluit van 10 december 2010, in afwijking van het advies van de Bezwarencommissie personeelsbesluiten, ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat niet ter discussie staat dat betrokkene tekortkomingen had en dat betrokkene, indien hij zich niet zou aanpassen, ongeschikt zou zijn voor zijn functie. Wel is volgens de rechtbank nog in geschil of appellant betrokkene een verbetertraject had dienen aan te bieden alvorens tot het ongeschiktheidsontslag als bedoeld in B.9, aanhef en onder h, van de CAP over te gaan. De rechtbank is van oordeel dat het voorval op 8 juni 2010 weliswaar zeer ernstig was, maar dat het niet van dusdanige aard was dat betrokkene, gezien zijn lange en goede staat van dienst en de hulp die hij heeft ingeroepen om zijn alcoholprobleem te overwinnen, geen mogelijkheid tot verbetering meer behoefde te worden geboden.

3. In hoger beroep heeft appellant, samengevat, betoogd dat sprake is van een bijzonder sprekend geval op grond waarvan het bieden van een verbetertraject niet zinvol is.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.
Aangezien tussen partijen niet in geschil is en ook voor de Raad vaststaat dat betrokkene in zijn functioneren te kort is geschoten, spitst het geschil in hoger beroep zich toe op de vraag of appellant aan betrokkene een verbeterkans had moeten geven alvorens hem ontslag te verlenen wegens ongeschiktheid voor de vervulling van zijn functie anders dan wegens ziekte.

4.2.
Naar vaste rechtspraak is een dergelijk ontslag in het algemeen niet toelaatbaar als de ambtenaar niet op zijn functioneren of gedrag is aangesproken en in de gelegenheid is gesteld dit te verbeteren (CRvB 18 maart 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BL9739). Dit is alleen anders in bijzonder sprekende gevallen, waarin de ambtenaar zodanig blijk heeft gegeven niet over de vereiste eigenschappen, mentaliteit en/of instelling te beschikken dat het geven van een verbeterkans niet zinvol is (CRvB 4 maart 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BL6906). Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat zich in dit geval zo’n bijzonder sprekend geval voordoet.

4.2.1.
Hierbij is in aanmerking genomen dat de functie van betrokkene, brugwachter, een solitaire functie is. Er zijn geen collega’s die tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden aanwezig zijn en kunnen ingrijpen als betrokkene niet in staat is zijn functie naar behoren te vervullen. Volgens appellant kan het niet goed uitvoeren van de werkzaamheden als brugwachter tot incidenten en ongevallen leiden, hetgeen de verkeersveiligheid in gevaar kan brengen, en tot een grote hoeveelheid klachten kan leiden, hetgeen nadelig is voor het imago van de provincie.

4.2.2.
Ter zitting heeft betrokkene erkend dat hij op 9 januari, 10 februari en 13 maart 2010 niet dan wel te laat op zijn werk is verschenen, omdat hij de avond daarvoor te veel alcohol had gedronken, waardoor hij zich had verslapen. Toen betrokkene zich over zijn ongeoorloofde afwezigheid op die dagen diende te verantwoorden, heeft hij zijn leidinggevende wel verteld dat hij zich had verslapen, maar niet dat dat een gevolg was van zijn alcoholprobleem. Zijn leidinggevende heeft betrokkene gevraagd in het werkplan op te nemen hoe hij denkt in het vervolg te voorkomen dat hij te laat op het werk verschijnt. Ook toen heeft betrokkene zijn alcoholprobleem niet gemeld. Met het (voornemen tot het) opleggen van de disciplinaire straf van een schriftelijke berisping wegens zijn ongeoorloofde afwezigheid met daarbij de mededeling dat als betrokkene nogmaals niet op het werk verschijnt, disciplinair ontslag tot de mogelijkheden zou behoren, heeft betrokkene kunnen en moeten beseffen dat hij het drinken van (veel) alcohol de avond voor een werkdag achterwege moest laten. Op 8 juni 2010 heeft betrokkene zich schuldig gemaakt aan een gedraging die verder gaat dan het niet verschijnen op het werk vanwege het drinken van (veel) alcohol op de daaraan voorafgaande avond, namelijk het onder werktijd drinken van (veel) alcohol, waardoor hij niet meer in staat was de werkzaamheden te verrichten. Zeker gezien de voorgeschiedenis en in het bijzonder de eerder gegeven berisping, had betrokkene moeten beseffen dat dergelijk gedrag ontoelaatbaar was. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant zich op het standpunt mocht stellen dat het bieden van een verbeterkans ter zake achterwege kon blijven. Betrokkene heeft zich door zijn gedragingen definitief gediskwalificeerd voor het op betrouwbare wijze vervullen van zijn functie.

4.3.
Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit alsnog ongegrond verklaren.

5. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep

– vernietigt de aangevallen uitspraak;
– verklaart het beroep tegen het besluit van 24 mei 2011 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door J.Th. Wolleswinkel als voorzitter en C.H. Bangma en
M.T. Boerlage als leden, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 oktober 2014.

Verstoorde arbeidsrelatie

Verstoorde arbeidsrelatie

Verstoorde arbeidsrelatie met een werknemer die zich beroepen heeft op een opzegverbod (ziekte).


De uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Roermond

Zaaknummer: 3647838 AZ VERZ 14-361

Beschikking van de kantonrechter van 11 februari 2015

in de zaak van:

[verzoeker] , wonende te [woonplaats] aan de [adres],

verzoeker,

gemachtigde: mr. M.E. van Schaick,

tegen:

de vennootschap naar buitenlands recht GF Machining Solutions International SA , gevestigd te 6616 Losone, Zwitserland aan het adres Via dei Pioppi 2,

verweerster,

gemachtigde: mr. M.W.F.M. de Leeuw.

Partijen zullen hierna [verzoeker] en GF genoemd worden.

1De procedure

1.1.Op 3 december 2014 is ter griffie ingekomen een verzoekschrift van [verzoeker], waarbij hij verzoekt de tussen hem als werknemer en GF als werkgeefster bestaande arbeidsovereenkomst te ontbinden wegens de in het verzoekschrift vermelde gewichtige redenen.
1.2.Op 23 januari 2015 is door GF een verweerschrift ingediend, waarbij GF zich gemotiveerd heeft verzet tegen de verzochte ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Tevens heeft GF bij tegenverzoek voorwaardelijk, onder de voorwaarde dat de arbeidsovereenkomst niet reeds zal eindigen door middel van opzegging na verkregen toestemming van het UWV, verzocht de arbeidsovereenkomst te ontbinden wegens gewichtige redenen.
1.3.Op 28 januari 2015 is een mondelinge behandeling van de zaak gehouden.
1.4.Partijen hebben daarna verzocht een beschikking te geven, waarvan de uitspraak is bepaald op heden.

2De beoordeling

2.1.Gelet op de stukken en de ter mondelinge behandeling door partijen afgelegde verklaringen, alsmede gelet op hetgeen partijen op vragen van de kantonrechter over en weer nog hebben aangevoerd, stelt de kantonrechter het navolgende vast.- [verzoeker] is op 18 maart 1996 bij (de rechtsvoorganger van) GF in dienst getreden en vervult thans de functie van Director Branch Office Benelux tegen een salaris van € 8.593,75 bruto per maand. [verzoeker] is 51 jaar oud.

– Op 3 september 2014 is [verzoeker] door zijn leidinggevenden geïnformeerd dat de productieafdeling van de Branch Office Benelux zal worden gesloten en dat de werknemers die voor dit onderdeel werkzaam zijn – inclusief [verzoeker] – worden voorgedragen voor ontslag. [verzoeker] heeft daarbij tot eind september 2014 de gelegenheid gekregen om na te denken over het eventueel overnemen van productieactiviteiten door middel van een ‘management buyout’. Op 4 september 2014 heeft [verzoeker] zich ziek gemeld en tot op heden niet hersteld.

– Op 26 september heeft [verzoeker] van GF een brief ontvangen waarin de arbeidsovereenkomst werd opgezegd tegen 31 maart 2015. [verzoeker] heeft de opzegging schriftelijk vernietigd en aangegeven dat hij bereid is te spreken over een minnelijke regeling ter beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden.

– Op 10 november 2014 heeft GF bij UWV Werkbedrijf een ontslagvergunning aangevraagd. Ten tijde van de mondelinge behandeling van de onderhavige verzoekschriften was nog geen beslissing op de aanvraag gegeven.

– Op 26 november 2014 heeft GF aan [verzoeker] een voorstel gedaan voor een minnelijke regeling ter beëindiging van de arbeidsovereenkomst, welk voorstel door [verzoeker] niet is geaccepteerd.

2.2.[verzoeker] verzoekt thans ontbinding van de arbeidsovereenkomst omdat hij de ontslagprocedure bij UWV Werkbedrijf niet wenst af te wachten. Niet alleen omdat [verzoeker] een lange opzegtermijn heeft, maar ook omdat niet zeker is of UWV wel toestemming zal verlenen en er sprake is van een opzegverbod vanwege arbeidsongeschiktheid. [verzoeker] stelt dat de organisatiewijzigingen van de laatste 10 jaar een zware wissel hebben getrokken op de verhouding met zijn leidinggevenden en zijn gezondheid en hebben geleid tot zijn huidige arbeidsongeschiktheid. De ontslagaanzegging en het eenzijdig handelen van GF zijn daarbij de spreekwoordelijke druppel geweest. Na de ziekmelding heeft GF geen contact met [verzoeker] opgenomen en hem feitelijk al uit zijn functie ontheven door hem niet meer op de hoogte te houden van de ontwikkelingen binnen het bedrijf, geen notulen meer te verstrekken en zijn autorisatie voor het computerprogramma Board in te trekken. GF heeft ook geen opvolging gegeven aan het advies van de bedrijfsarts om mediation aan te gaan. Uiteindelijk heeft pas op 21 januari 2015 (een week voor de mondelinge behandeling) een mediationgesprek plaatsgevonden maar dat heeft geen resultaat opgeleverd. Er is sprake van een verstoordearbeidsrelatie en voortzetting van de arbeidsrelatie is ziekmakend zodat van [verzoeker] niet kan worden gevergd dat hij het einde van zijn dienstverband afwacht, aldus [verzoeker].

2.3.

GF voert verweer tegen de door [verzoeker] verzochte ontbinding en stelt – kort gezegd – dat het enkele feit dat GF heeft medegedeeld dat de productieafdeling van de Branch Office Benelux zal worden gesloten niet maakt dat zij verwijtbaar heeft gehandeld en dat er daardoor sprake zou zijn van een verstoorde arbeidsverhouding. Sinds die mededeling tracht [verzoeker] evenwel een breuk te forceren door GF allerlei verwijten te maken. Voor zover er al redenen zijn om de arbeidsovereenkomst te ontbinden zijn deze aan [verzoeker] zelf te wijten, aldus GF. GF heeft [verzoeker] op 26 november 2014 nog een schriftelijk beëindigingsvoorstel gedaan, maar nog voordat de termijn om op het voorstel te reageren was verstreken heeft [verzoeker] het ontbindingsverzoek ingediend.

Voor zover het dienstverband niet op andere wijze zal eindigen, bijvoorbeeld middels opzegging na verkregen toestemming van UWV, verzoekt GF de arbeidsovereenkomst voorwaardelijk te ontbinden wegens wijzigingen in de omstandigheden die aan [verzoeker] te wijten zijn.

2.4.De kantonrechter stelt bij de beoordeling voorop dat de door partijen aangehaalde Van Hooff Elektra-doctrine in de onderhavige situatie strikt genomen niet van toepassing is. Er is immers (nog) geen sprake van een door UWV Werkbedrijf verleende toestemming om de arbeidsovereenkomst op te mogen zeggen, zodat van een opzegging en een ontbindings-verzoek tijdens de opzegtermijn eveneens geen sprake is. Het einde van het dienstverband staat derhalve nog niet vast. Het verzoek van [verzoeker] dient dan ook niet getoetst te worden aan de stringentere norm van Van Hooff Elektra, maar moet worden beoordeeld als een ‘normaal’ verzoekschrift. Daarbij staat wel voorop dat het indienen van een ontbindings-verzoek met als reden een (hogere) beëindigingsvergoeding te verkrijgen, op zichzelf geen gegronde reden voor een ontbinding van de arbeidsovereenkomst kan opleveren, zodat dient te worden getoetst of de grond voor het ontbindingsverzoek niet enkel is gelegen in de wens van [verzoeker] om een vergoeding te verkrijgen.
2.5.[verzoeker] heeft aan zijn verzoekschrift ten grondslag gelegd dat er sprake is van een verstoorde arbeidsrelatie die ziekmakend zou zijn. De kantonrechter is van oordeel dat [verzoeker] niet aannemelijk heeft gemaakt dat voorafgaand aan het gesprek van 3 september 2014 reeds sprake was van een moeizame of verstoorde relatie tussen hem en de heer [X] (Head of Region voor Europa) en/of de heer [Y] (Managing Director) als gevolg van de organisatiewijzigingen in 2007 en later. Iedere aanwijzing daarvoor ontbreekt in het dossier. Wel acht de kantonrechter aannemelijk dat [verzoeker] het niet eens was met de wijze waarop de verschillende reorganisaties bij GF werden doorgevoerd en dat [verzoeker] die reorganisaties als directeur moest begeleiden en dat dit bij hem tot onvrede heeft geleid. Dat maakt echter nog niet dat daarmee een verstoorde arbeidsrelatie voorafgaande aan 3 september 2014 kan worden vastgesteld.
2.6.Het voorgaande brengt met zich mee dat de verstoorde arbeidsrelatie, voor zover daarvan thans sprake is, naar het oordeel van de kantonrechter eerst is ontstaan (of geconstrueerd) nadat GF aan [verzoeker] heeft kenbaar gemaakt dat de productieafdeling van de Branch Office Benelux zal worden gesloten en dus in het zicht van een voorgenomen beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Uit het feit dat [verzoeker] vervolgens een ontbindingsverzoek bij de kantonrechter heeft ingediend nadat door GF een – in de visie van [verzoeker] te mager – beëindigingsvoorstel is gedaan, kan de kantonrechter niet anders concluderen dan dat het [verzoeker] enkel te doen is om een hogere beëindigingsvergoeding te verkrijgen. Het verzoek zal dus moeten worden afgewezen vanwege het ontbreken van een gegronde reden daartoe.
2.7.Het tegenverzoek van GF is gedaan onder de voorwaarde dat de arbeidsovereenkomst niet reeds zal eindigen door middel van opzegging na verkregen toestemming van het UWV Werkbedrijf. De kantonrechter is van oordeel dat het uitspreken van de ontbinding van de arbeidsovereenkomst onder deze voorwaarde niet mogelijk is, omdat een dergelijke voorwaarde in strijd komt met het stelsel van het ontslagrecht en van de ontbindingsprocedure in het bijzonder. De ontbindingsprocedure is gericht op het verkrijgen van een spoedige beslissing omtrent het al dan niet eindigen van de arbeidsovereenkomst op grond van veranderingen in de omstandigheden die van dien aard zijn dat de overeenkomst dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen. Daarmee geeft artikel 7:685 BW slechts ruimte voor ontbinding op korte termijn. Nu GF in feite de UWV-procedure wil afwachten en slechts ontbinding vraagt voor het geval dat UWV afwijzend beslist, is van een onmiddellijke noodzaak tot ontbinding kennelijk geen sprake. Het verzoek van GF zal dus eveneens moeten worden afgewezen.
2.8.Tot slot merkt de kantonrechter nog op dat [verzoeker] door aldus te beslissen feitelijk in ieder geval niet wordt benadeeld. In geval van opzegging ligt immers de route van een kennelijk onredelijk ontslag open. In geval van afwijzing van het verzoek tot toestemming door UWV of het niet kunnen opzeggen vanwege het ontslagverbod bij ziekte, kan een hernieuwd verzoek tot ontbinding worden ingediend.
2.9.In de aard en uitkomst van deze procedure ziet de kantonrechter aanleiding de kosten van het geding te compenseren.

3De beslissing

De kantonrechter

3.1.wijst het over en weer verzochte af,

3.2.compenseert de proceskosten in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Aldus gegeven door mr. J. Schreurs-van de Langemheen, en in het openbaar uitgesproken.

Ontslag op staande voet

Ontslag op staande voet: geen werkweigering tijdens vrijstelling werk

Geen dringende reden voor ontslag op staande voet wegens werkweigering. Het niet verschijnen op het werk levert onder de gegeven omstandigheden, waarbij werkneemster vrijstelling van haar werkzaamheden heeft gedurende onderhandelingen partijen en verstoorde verhouding tussen partijen, geen dringende reden in de zin van artikel 7:677 lid 1 BW.


De uitspraak

ECLI:NL:GHSHE:2014:2978

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.127.359/01

arrest van 26 augustus 2014

in de zaak van

1. [Cafetaria-Croissanterie], [Cafetaria-Croissanterie],

gevestigd te [woonplaats],

2. [appellante 2],

wonende te [woonplaats],

3. [appellant 3],

wonende te [woonplaats],

appellanten,

hierna gezamenlijk aan te duiden als [Cafetaria-Croissanterie],

advocaat: mr. A.A. Slager te Zoetermeer,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde],

advocaat: mr. P.H.G.C. Gremmen te Roosendaal,

op het bij exploot van dagvaarding van 7 mei 2013 ingeleide hoger beroep van het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, team kanton Bergen op Zoom van 7 januari 2013, gewezen tussen [Cafetaria-Croissanterie] als gedaagde en [geïntimeerde] als eiseres.

1Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 745025 CV EXPL 12-6835)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

– de dagvaarding in hoger beroep met grieven en producties;

– de conclusie van eis in hoger beroep tevens akte overleggen productie;

– de memorie van antwoord.

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3De beoordeling

3.1.In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

– [geïntimeerde], geboren op [geboortedatum] 1968, is op 15 januari 1998 in dienst getreden bij [Cafetaria-Croissanterie], een cafetaria/croissanterie. [geïntimeerde] was laatstelijk bij [Cafetaria-Croissanterie] werkzaam in de functie van bedrijfsleidster tegen een salaris van € 2.237,08 bruto per maand exclusief vakantietoeslag.

– Tussen [appellant 3] (appellant sub 3, hierna: [appellant 3]) en [geïntimeerde] heeft gedurende 12 jaar een affectieve relatie bestaan. [geïntimeerde] heeft deze relatie medio 2011 beëindigd.

– [geïntimeerde] is in oktober 2011 arbeidsongeschikt geworden. In overleg met de bedrijfsarts is [geïntimeerde] in januari 2012 voor drie maal vier uur gaan werken.

– Eind januari 2012 zijn partijen het met elkaar eens geworden dat de arbeidsovereenkomst tussen hen zou worden beëindigd. Zij zijn vervolgens met elkaar in overleg getreden over de voorwaarden waaronder de arbeidsovereenkomst beëindigd zou worden. [Tijdens de onderhandelingen daarover was [geïntimeerde] door [Cafetaria-Croissanterie] vrijgesteld van het verrichten van werkzaamheden met behoud van loon.

– Tijdens een bespreking tussen partijen op 13 februari 2012 is door [Cafetaria-Croissanterie] een eerste concept vaststellingsovereenkomst aan [geïntimeerde] overhandigd waarin onder meer 31 mei 2012 als beëindigingsdatum was opgenomen. Deze vaststellingsovereenkomst is niet door partijen getekend.

– Bij brief van 16 april 2012 heeft de toenmalige gemachtigde van [geïntimeerde] een tweede concept vaststellingsovereenkomst doen toekomen aan [Cafetaria-Croissanterie], waarin onder meer als beëindigingsdatum 1 juli 2012 is opgenomen. Ook toen is het niet tot een ondertekening gekomen.

– Bij brief van haar gemachtigde van 25 juni 2012 heeft [Cafetaria-Croissanterie] een nieuw voorstel aan [geïntimeerde] gedaan om tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden te komen. Hierin staat onder meer vermeld dat het dienstverband met wederzijds goedvinden eindigt per 30 september 2012 en dat [geïntimeerde] tot het einde van het dienstverband wordt vrijgesteld van haar werkzaamheden met behoud van loon. [geïntimeerde] heeft voornoemd voorstel niet geaccepteerd.

– Bij faxbericht van haar gemachtigde van 1 augustus 2012 heeft [Cafetaria-Croissanterie] [geïntimeerde] medegedeeld haar nog één maal in de gelegenheid te stellen haar werkzaamheden te hervatten, dat zij op woensdag 8 augustus 2012 van 10.00 uur tot 19.00 uur moet komen werken en dat als zij niet zou komen opdagen, voor [Cafetaria-Croissanterie] aanleiding zou kunnen bestaan om de loonbetaling te staken en [geïntimeerde] ontslag op staande voet te geven op grond van werkweigering.

– Bij brief van 7 augustus 2012 heeft de gemachtigde van [geïntimeerde] er onder meer op gewezen dat [geïntimeerde] door [Cafetaria-Croissanterie] is vrijgesteld van het verrichten van haar werkzaamheden tot het moment waarop de arbeidsovereenkomst zal zijn beëindigd.

– ’ t [Cafetaria-Croissanterie] heeft bij emailbericht van 14 augustus 2014 [geïntimeerde] medegedeeld geen loon meer te betalen, nu [geïntimeerde] op 8 augustus 2012 niet op haar werk is verschenen, en heeft haar vervolgens een officiële waarschuwing gegeven.

– Bij brief van 22 augustus 2012 heeft de gemachtigde van [geïntimeerde] [Cafetaria-Croissanterie] gesommeerd het salaris van [geïntimeerde] alsnog over te maken en gewezen op het feit dat er onderhandelingen gaande zijn over beëindiging van de arbeidsovereenkomst en dat [Cafetaria-Croissanterie] zelf te kennen heeft gegeven dat [geïntimeerde] is vrijgesteld van haar werkzaamheden tot 30 september 2012.

– ’ t [Cafetaria-Croissanterie] heeft het loon toch doorbetaald.

– Bij brief van haar gemachtigde van 6 september 2012 heeft [Cafetaria-Croissanterie] [geïntimeerde] gesommeerd om op maandag 10 september 2012 om 10.00 uur haar werkzaamheden te hervatten en dat ontslag op staande voet zou volgen, indien [geïntimeerde] niet tot werkhervatting zou overgaan. [geïntimeerde] is op 10 september 2012 niet op het werk verschenen.

– Bij brief van haar gemachtigde van 11 september 2012 heeft [Cafetaria-Croissanterie] [geïntimeerde] op staande voet ontslagen op grond van werkweigering. [Cafetaria-Croissanterie] heeft de loonbetaling aan [geïntimeerde] gestaakt.

– De gemachtigde van [geïntimeerde] heeft bij brief van 18 september 2012 de nietigheid van het ontslag op staande voet ingeroepen.

– Bij beschikking van 7 januari 2013 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant, team kanton Bergen op Zoom de arbeidsovereenkomst tussen partijen, voor het geval in rechte komt vast te staan dat deze nog bestaat, op grond van een verandering in de omstandigheden ontbonden met ingang van 16 januari 2013 en aan [geïntimeerde] ten laste van [Cafetaria-Croissanterie] een vergoeding toegekend van € 23.000,- bruto.

3.2.1.In de onderhavige procedure heeft [geïntimeerde] in eerste aanleg gevorderd [Cafetaria-Croissanterie] uitvoerbaar bij voorraad te veroordelen tot betaling van:

a. a) het loon over de maand september 2012 ad € 2.237,08;

b) het loon vanaf oktober 2012 totdat het dienstverband op rechtsgeldige wijze is beëindigd;

c) de wettelijke rente over het sub a en sub b gevorderde;

d) de wettelijke verhoging over het sub a en sub b gevorderde;

e) de buitengerechtelijke kosten;

f) de proceskosten.

3.2.2.Aan deze vordering heeft [geïntimeerde], kort samengevat, ten grondslag gelegd dat het haar door [Cafetaria-Croissanterie] op 11 september 2012 gegeven ontslag op staande voet nietig is en dat dientengevolge het dienstverband inclusief de daaruit voortvloeiende loonbetalingsverplich-ting doorloopt totdat het dienstverband rechtsgeldig is geëindigd, zijnde 16 januari 2013.

3.2.3. ‘

t [Cafetaria-Croissanterie] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.

[Cafetaria-Croissanterie] heeft daarnaast in reconventie gevorderd [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 7.449,21 ter zake van schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 januari 2013 tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten.

3.3.Bij vonnis waarvan beroep, hersteld bij herstelvonnis van 15 mei 2013, heeft de kantonrechter in conventie de vorderingen van [geïntimeerde] toegewezen met dien verstande dat de wettelijke rente is toegewezen (telkens) vanaf de dag van opeisbaarheid tot aan de dag der algehele voldoening en de wettelijke verhoging is gematigd tot 10%.

3.4. ‘t [Cafetaria-Croissanterie] heeft in hoger beroep vijf grieven aangevoerd. Deze grieven richten zich, kort gezegd, tegen het oordeel van de kantonrechter dat de nietigheid van het ontslag terecht is ingeroepen en dat het dienstverband heeft voortgeduurd tot 16 januari 2013. [Cafetaria-Croissanterie] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van [geïntimeerde], met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten van beide instanties, te vermeerderen met nakosten. Het hof zal de grieven, gelet op hun onderlinge samenhang, gezamenlijk behandelen.

3.5.[geïntimeerde] heeft de grieven gemotiveerd bestreden.

3.6. Het hof overweegt als volgt.

Het geschil van partijen betreft de vraag of sprake is van een dringende reden voor het door [Cafetaria-Croissanterie] aan [geïntimeerde] ontslag in de zin van artikel 7:677 lid 1 BW. Als dringende reden in de zin van artikel 7:678 lid 1 BW worden beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die tot gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Bij de beoordeling van de vraag of van een zodanige dringende reden sprake is, moeten de omstandigheden van het geval in onderling verband en samenhang in aanmerking worden genomen. Tot deze omstandigheden behoren onder meer de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals diens leeftijd, de aard en duur van het dienstverband en de gevolgen van het ontslag op staande voet. Ook indien de gevolgen ingrijpend zijn, kan een afweging van de persoonlijke omstandigheden tegen de aard en de ernst van de dringende reden tot de slotsom leiden dat een onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst gerechtvaardigd is.

3.7.1.In de ontslagbrief van 11 september 2012 wordt [geïntimeerde] verweten dat zij zonder bericht van verhindering niet is verschenen op haar werk en dat zij zodoende werk heeft geweigerd. Het staat vast dat zij inderdaad geen gevolg heeft gegeven aan de sommatie om op 10 september 2012 haar werkzaamheden te hervatten. Het gaat dan om de vraag of de weigering van [geïntimeerde] om haar werkzaamheden te hervatten kan worden beschouwd als een werkweigering die een dringende reden oplevert voor een ontslag op staande voet. [geïntimeerde] voert dienaangaande als verweer dat partijen aan het onderhandelen waren over de voorwaarden voor beëindiging van de arbeidsovereenkomst tussen partijen met wederzijds goedvinden en dat [geïntimeerde] door [Cafetaria-Croissanterie] vrijgesteld was van het verrichten van haar werkzaamheden gedurende de onderhandelingen. Volgens haar heeft [Cafetaria-Croissanterie] op geen enkele wijze medegedeeld dat de onderhandelingen als geëindigd dienden te worden beschouwd, zodat zij de sommaties van de gemachtigde van [Cafetaria-Croissanterie] om aan het werk te gaan niet serieus hoefde te nemen.

3.7.2.Het hof stelt voorop dat partijen het eens zijn over het feit dat [geïntimeerde] in elk geval gedurende de onderhandelingen van partijen over de beëindiging van de arbeidsovereenkomst vrijgesteld was van het verrichten van werkzaamheden met behoud van loon. Om te kunnen beantwoorden of [geïntimeerde] al dan niet terecht heeft geweigerd haar werk te hervatten, dient beoordeeld te worden of [geïntimeerde] uit de brieven die namens [Cafetaria-Croissanterie] voorafgaande aan het ontslag op staande voet aan haar zijn gestuurd, heeft kunnen afleiden dat de onderhandelingen waren geëindigd en dat zij daardoor niet langer was vrijgesteld van haar werkzaamheden. Het hof is – evenals de kantonrechter – van oordeel dat dit niet het geval is en neemt daartoe het navolgende in aanmerking.

3.7.3.

Het laatste inhoudelijke voorstel om tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst te komen is afkomstig van [Cafetaria-Croissanterie] en dateert van 25 juni 2012. Dit voorstel heeft [geïntimeerde] niet geaccepteerd. Het hof kan [Cafetaria-Croissanterie] niet volgen, voor zover zij stelt dat [geïntimeerde] na het afwijzen van voornoemd voorstel had moeten beseffen dat partijen er niet uit zouden komen en dat de onderhandelingen waren geëindigd. Uit de betreffende brief van de gemachtigde van [Cafetaria-Croissanterie] van 25 juni 2012 kan niet worden afgeleid dat het daarin opgenomen voorstel het laatste voorstel van [Cafetaria-Croissanterie] zou zijn om tot een overeenstemming ten aanzien van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst te komen en dat aan afwijzing van het voorstel de consequentie was verbonden dat de onderhandelingen zouden worden afgebroken. In de brief staat slechts aangegeven dat het voorstel geldig was tot 30 juni 2012 en dat het geheel zou komen te vervallen, indien [geïntimeerde] niet voor 30 juni 2012 volledig akkoord zou gaan met het voorstel. Het gegeven dat de standpunten van partijen ten aanzien van de voorwaarden voor de beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden op dat moment nog ver uit elkaar lagen doet aan het voorgaande niet af, evenmin als het gegeven dat er na het laatste voorstel van [Cafetaria-Croissanterie] van 25 juni 2012 geen overleg meer is geweest tussen partijen.

Ook in de daarop volgende correspondentie van/namens [Cafetaria-Croissanterie] van 1 augustus 2012, 14 augustus, 6 september 2012 en 11 september 2012 wordt geen melding gemaakt van een beëindiging van de onderhandelingen, zelfs niet nadat de gemachtigde van [geïntimeerde] in haar brief van 22 augustus 2012 heeft aangegeven dat de onderhandelingen van partijen nog voortduurden en [geïntimeerde] gedurende deze onderhandelingen was vrijgesteld van het verrichten van haar werkzaamheden. Bovendien heeft [geïntimeerde] niet, althans onvoldoende weersproken gesteld dat zij tot september 2010 iedere week haar loon van appellant sub 3 uitbetaald kreeg en dat bij die gelegenheden evenmin aan haar is medegedeeld dat de onderhandelingen waren afgebroken en dat zij weer moest komen werken.

In het bijzonder uit de brief van 6 september 2012 hoefde [geïntimeerde] niet af te leiden dat de onderhandelingen waren geëindigd en dat het in die brief geuite dreigement van ontslag op staande voet zou worden geconcretiseerd. Uit het voorstel van [Cafetaria-Croissanterie] van 25 juni 2012 volgt immers dat de vrijstelling van de werkzaamheden in ieder geval zou duren tot 30 september 2012.

3.7.4.Het hof stelt vast dat tussen partijen al vanaf januari 2012 overeenstemming bestond over het feit dat de arbeidsrelatie beëindigd moest worden. Gedurende acht maanden heeft [Cafetaria-Croissanterie] geen andere concrete stappen ondernomen dan het doen van enkele voorstellen om die beëindiging te realiseren (ook niet nadat die voorstellen door [geïntimeerde] waren afgewezen), waardoor op zich al de vraag rijst hoe dringend de noodzaak tot de beëindiging op staande voet was. Dit geldt temeer daar vast staat dat [Cafetaria-Croissanterie] [geïntimeerde] voor de duur van de onderhandelingen over de voorwaarden waaronder het tot een beëindiging kon komen heeft vrijgesteld van het verrichten van arbeid onder doorbetaling van het loon. Vervolgens heeft [Cafetaria-Croissanterie] bij het uitblijven van een reactie op haar laatste voorstel niet met een nieuw voorstel gereageerd, noch [geïntimeerde] uitgenodigd tot voortzetting van de onderhandelingen, noch mededeling gedaan van het feit dat zij de onderhandelingen als beëindigd beschouwde, ook niet toen [geïntimeerde] haar erop wees dat de onderhandelingen nog liepen. Daarentegen heeft [Cafetaria-Croissanterie] [geïntimeerde] opdracht gegeven om weer te komen werken, hoewel zij zich ervan bewust was dat een verdere samenwerking tussen partijen – mede gelet op de verstoorde persoonlijkeverhouding tussen [appellant 3] en [geïntimeerde] – onmogelijk was. Onder die omstandigheden kan de opdracht om de werkzaamheden op 10 september 2012 te hervatten niet worden beschouwd als een redelijke opdracht waarvan de weigering aanleiding kon geven tot een ontslag op staande voet. Het hof is dan ook van oordeel dat het niet verschijnen op het werk op 10 september 2012 onder de gegeven feiten en omstandigheden geen dringende reden oplevert voor een opzegging van de arbeidsovereenkomst op voet van artikel 7:677 lid 1 BW. Dit betekent dat het hoger beroep van [Cafetaria-Croissanterie] faalt.

3.8.Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat het bestreden vonnis, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, zal worden bekrachtigd. [Cafetaria-Croissanterie] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van dit hoger beroep.

4De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

veroordeelt [Cafetaria-Croissanterie] in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] worden begroot op € 299,- aan verschotten en op € 632,- aan salaris advocaat.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.H.B. den Hartog Jager, M.J.H.A. Venner-Lijten en R.J.M. Cremers en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 26 augustus 2014.

0

Jurist provincieambtenaar wil gedeputeerde Brink via rechter onder ede horen

ASSEN – Jurist Ferre van de Nadort, van de van fraude beschuldigde ambtenaar die per 1 augustus strafontslag krijgt, wil een voorlopig getuigenverhoor. Hij wil onder ede onder andere gedeputeerde Henk Brink horen.

Hij zei dit zaterdag in het Radio Drenthe-programma Cassata. Van de Nadort wil medewerkers van de provincie onder ede horen, die betrokken waren bij het inhuren en werkzaamheden van recherchebureau Marple.

Daarvoor is een verzoek in behandeling bij de rechter in Assen, die binnen vier weken een besluit neemt. Daarbij gaat het niet alleen om het onder ede horen van gedeputeerde Brink, maar ook om het management en de teamleiders die bij de start van het integriteitsonderzoek naar mogelijke fraude door ambtenaren betrokken waren.

Onrechtmatig handelen

Ook overweegt Van de Nadort een rechtszaak tegen het recherchebureau Marple, wegens onrechtmatig handelen, en laster en smaad. De jurist vindt dat het recherchebureau de 58-jarige provincieambtenaar, die 33 jaar bij de provincie werkt, onterecht zwart heeft gemaakt. Zo zijn de onderzoeksters bij allerlei mensen langs geweest, om hen uit te horen over de handel en wandel van de ambtenaar, hebben ze hem ten onrechte als vuurwapengevaarlijk aangemerkt, en aangenomen dat ie lid was van een criminele motorbende. Vanwege deze ‘risicovolle’ achtergrond, zijn rond de schorsing van de man, begin februari, zware beveiligingsmaatregelen getroffen.

Valsheid in geschrifte

Ook zou Marple met onderzoeksgegevens hebben gerommeld. Dat zegt oud-rechercheur Dick Gosewehr. Hij maakte onlangs een nadere analyse van het onderzoeksrapport van Marple, en daaruit zou blijken dat de dames van Marple met lunchbonnen van de betreffende provincieambtenaar ‘hebben gerommeld’. Er zou sprake zijn volgens hem van ‘valsheid in geschrifte’.


RTV Drenthe: 21 juni 2014
Oneerlijk ontslag
1 2