0

Keuzevrijheid rechtshulpverlener

Keuzevrijheid rechtshulpverlener

Europees Hof van Justitie | Op 7 november 2013 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie geoordeeld dat iedereen met een rechtsbijstandverzekering recht heeft op een door hem- of haarzelf vrij gekozen advocaat of gekwalificeerd rechtshulpverlener.

In veel voorwaarden van rechtsbijstandverzekeraars is opgenomen, dat de rechtshulp wordt verleend door (een werknemer van) de rechtsbijstandverzekeraar. Kosten voor rechtshulp door een door de verzekeringnemer zelf te kiezen rechtshulpverlener komen alleen voor vergoeding in aanmerking na voorafgaande toestemming door de verzekeraar. Zo bepalen althans de voorwaarden.

In het arrest, beantwoorde het Hof de vraag of deze gang van zaken in strijd was met het Europees recht.
In het arrest geeft het Hof aan, dat een beding dat rechtsbijstand in beginsel wordt verleend door zijn werknemers, tevens bedingt dat de kosten van rechtsbijstand van een door de verzekerde vrij gekozen advocaat of rechtsbijstandverlener slechts vergoed kunnen worden indien de verzekeraar van mening is dat de behandeling van de zaak aan een externe rechtshulpverlener moet worden uitbesteed, in strijd is met Europees recht.

Advocaat of andere persoon met kwalificaties door het nationale recht erkent

De vergoeding voor kosten voor rechtsbijstand is door het Hof niet voorbehouden aan rechtsbijstand verleent door advocaten. Bij het maken van een keuze kan de verzekerde ook kiezen voor een andere gekwalificeerde persoon in procedures waarin vertegenwoordiging door een advocaat niet verplicht is.

Wel kostenbeperking

De mogelijkheid om te vergoeden kosten te beperken door de verzekeraar wordt door het Hof open gelaten, zolang een beperking in maar niet maakt, dat het recht op vrije rechtshulpkeuze in gevaar komt.


ARREST VAN HET HOF (Achtste kamer)

7 november 2013 (*)

„Rechtsbijstandverzekering – Richtlijn 87/344/EEG – Artikel 4, lid 1 – Vrije advocaatkeuze door verzekeringnemer – Beding in algemene voorwaarden van toepassing op overeenkomst op grond waarvan rechtsbijstand in gerechtelijke en administratieve procedures door werknemer van verzekeraar gedekt is – Kosten voor rechtsbijstand door externe rechtsbijstandverlener enkel vergoed in geval verzekeraar besluit dat uitbesteding aan externe rechtshulpverlener noodzakelijk is”

In zaak C‑442/12,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Hoge Raad der Nederlanden bij arrest van 28 september 2012, ingekomen bij het Hof op 3 oktober 2012, in de procedure

Jan Sneller

tegen

DAS Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringsmaatschappij NV,

wijst

HET HOF (Achtste kamer),

samengesteld als volgt: C. G. Fernlund, president van de Achtste kamer, waarnemend voor de kamerpresident, C. Toader (rapporteur) en E. Jarašiūnas, rechters,

advocaat-generaal: P. Mengozzi,

griffier: M. Ferreira, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 19 september 2013,

gelet op de opmerkingen van:

– DAS Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringsmaatschappij NV, vertegenwoordigd door J. W. H. van Wijk en B. J. Drijber, advocaten,

– de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door G. Palmieri als gemachtigde, bijgestaan door W. Ferrante, avvocato dello Stato,

– de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door A. Posch als gemachtigde,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door F. Wilman en K.‑P. Wojcik als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 4, lid 1, van richtlijn 87/344/EEG van de Raad van 22 juni 1987 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de rechtsbijstandverzekering (PB L 185, blz. 77), die ratione temporis op het hoofdgeding van toepassing is.

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen J. Sneller en DAS Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringsmaatschappij NV (hierna: „DAS”) over de dekking van de kosten van rechtsbijstand van een door de verzekeringnemer gekozen advocaat.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

3 De elfde overweging van de considerans van richtlijn 87/344 luidt:

„Overwegende dat het belang van de voor rechtsbijstand verzekerde inhoudt dat deze zelf zijn advocaat moet kunnen kiezen of elke andere persoon met de kwalificaties die door het nationale recht worden toegestaan in het kader van gerechtelijke of administratieve procedures en telkens wanneer er zich een belangenconflict voordoet”.

4 Artikel 1 van deze richtlijn bepaalt:

„Deze richtlijn strekt tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de rechtsbijstandverzekering […], teneinde de daadwerkelijke uitoefening van de vrijheid van vestiging te vergemakkelijken en elk belangenconflict met name als gevolg van het feit dat de verzekeraar een derde persoon heeft verzekerd of dat hij de verzekerde zowel voor rechtsbijstand als voor een andere […] branche heeft verzekerd, zo veel mogelijk te voorkomen en, als een dergelijk conflict zich voordoet, de oplossing ervan mogelijk te maken.”

5 Artikel 2, lid 1, van deze richtlijn luidt als volgt:

„Deze richtlijn is van toepassing op de verzekering voor rechtsbijstand. Deze verzekering bestaat erin dat tegen betaling van een premie de verbintenis wordt aangegaan om de kosten van gerechtelijke procedures te dragen en andere diensten te verlenen die voortvloeien uit de door de verzekering geboden dekking, met name met het oog op:

– het verhaal van door de verzekerde geleden schade, door middel van een minnelijke schikking of van een civielrechtelijke of strafrechtelijke procedure;

– de verdediging of vertegenwoordiging van de verzekerde in een civielrechtelijke, strafrechtelijke, administratieve of andere procedure of in geval van een tegen hem gerichte vordering.”

6 Artikel 4, lid 1, van deze richtlijn bepaalt:

„In elke overeenkomst inzake rechtsbijstandverzekering moet uitdrukkelijk worden bepaald dat

a) indien een advocaat of andere persoon die volgens het nationaal recht gekwalificeerd is, wordt gevraagd de belangen van de verzekerde in een gerechtelijke of administratieve procedure te verdedigen, te vertegenwoordigen of te behartigen, de verzekerde vrij is om deze advocaat of andere persoon te kiezen;

b) de verzekerde vrij is om een advocaat of, indien hij daar de voorkeur aan geeft en voor zover het nationale recht zulks toestaat, een andere gekwalificeerde persoon te kiezen om zijn belangen te behartigen wanneer zich een belangenconflict voordoet.”

7 Artikel 5 van richtlijn 87/344 bepaalt:

„1. Elke lidstaat kan de rechtsbijstandverzekering van de toepassing van artikel 4, lid 1, vrijstellen indien aan elk van onderstaande voorwaarden wordt voldaan:

a) de verzekering is beperkt tot zaken die voortvloeien uit het gebruik van wegvoertuigen op het grondgebied van de betrokken lidstaat;

b) de verzekering is verbonden met een overeenkomst voor hulpverlening in geval van een ongeval of pech waarbij een wegvoertuig betrokken is;

c) noch de rechtsbijstandverzekeraar noch de verzekeraar van hulpverlening verzekeren een aansprakelijkheidsbranche;

d) er worden maatregelen genomen om te verzekeren dat de rechtsbijstand en de vertegenwoordiging van elk van de partijen bij een geschil door volkomen onafhankelijke advocaten geschiedt indien deze partijen door dezelfde verzekeraar voor rechtsbijstand zijn verzekerd.

2. De door een lidstaat krachtens lid 1 aan een onderneming verleende vrijstelling laat de toepassing van artikel 3, lid 2, onverlet.”

Nederlands recht

8 Artikel 4:67, lid 1, van de Wet op het financieel toezicht (hierna: „Wft”) luidt als volgt:

„Een rechtsbijstandverzekeraar draagt er zorg voor dat in de overeenkomst inzake de rechtsbijstanddekking uitdrukkelijk wordt bepaald dat het de verzekerde vrij staat een advocaat of een andere rechtens bevoegde deskundige te kiezen indien:

a. een advocaat of andere rechtens bevoegde deskundige wordt verzocht de belangen van de verzekerde in een gerechtelijke of administratieve procedure te verdedigen, te vertegenwoordigen of te behartigen; of

b. zich een belangenconflict voordoet.”

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

9 Uit het verwijzingsarrest volgt dat Sneller een rechtsbijstandverzekering heeft gesloten bij Reaal Schadeverzekeringen NV. De verzekeringsovereenkomst bepaalt dat DAS is aangewezen als de vennootschap die de dekking van de rechtsbijstand uitvoert.

10 In deze overeenkomst is tevens bedongen dat zaken worden behandeld door de eigen medewerkers van DAS. Indien een zaak echter krachtens de overeenkomst of naar de mening van DAS aan een externe rechtshulpverlener uitbesteed moet worden, heeft de verzekerde het recht een advocaat of deskundige naar eigen keuze aan te wijzen.

11 In het hoofdgeding wil Sneller tegen zijn voormalige werkgever een gerechtelijke procedure om schadevergoeding voeren omdat die hem kennelijk onredelijk heeft ontslagen. Daartoe wil hij zich laten bijstaan door een door hemzelf gekozen advocaat, waarbij zijn rechtsbijstandverzekeraar de kosten van die rechtsbijstand zou moeten dragen. DAS heeft ermee ingestemd dat Sneller een gerechtelijke procedure voert, maar heeft gesteld dat de door Sneller gesloten overeenkomst in een dergelijk geval geen dekking biedt voor de kosten van rechtsbijstand door een advocaat naar keuze van de verzekerde. DAS is daarom slechts bereid om zelf rechtsbijstand aan Sneller te verlenen door middel van een eigen werknemer, die geen advocaat is.

12 In dat verband geeft de verwijzende rechter aan dat rechtsbijstand in de procedure die Sneller tegen zijn voormalige werkgever wil voeren, naar Nederlands recht niet verplicht is.

13 Na de weigering van DAS om de kosten van rechtsbijstand van een door Sneller gekozen advocaat te vergoeden, heeft deze bij de voorzieningenrechter te Amsterdam gevorderd dat DAS wordt veroordeeld deze kosten voor haar rekening te nemen. Bij vonnis van 8 maart 2011 heeft de voorzieningenrechter die vordering afgewezen.

14 Bij arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 26 juli 2011 is dat vonnis bekrachtigd. Het Gerechtshof heeft daartoe overwogen dat artikel 4:67, lid 1, sub a, Wft aldus moet worden uitgelegd dat in omstandigheden als in het hoofdgeding, waarin een verzekering tot rechtsbijstand in natura is overeengekomen, het recht op vrije advocaatkeuze niet reeds ontstaat door het besluit om ten behoeve van de verzekerde een procedure te voeren, maar dat daarvoor ook nodig is dat de rechtsbijstandverzekeraar besluit dat rechtsbijstand moet worden verleend door een externe rechtshulpverlener en niet door een van zijn medewerkers. Enkel in een dergelijk geval doet zich een belangenconflict voor zoals artikel 4, lid 1, sub a, van richtlijn 87/344 heeft willen voorkomen.

15 Sneller is bij de verwijzende rechter tegen dit arrest opgekomen. Volgens deze rechter kunnen zowel aan de analyse van de verschillende taalversies van artikel 4, lid 1, van richtlijn 87/344 als aan de arresten van 10 september 2009, Eschig (C‑199/08, Jurispr. blz. I‑8295), en 26 mei 2011, Stark (C‑293/10, Jurispr. blz. I‑4711), zwaarwegende argumenten worden ontleend ten gunste van de opvatting dat, indien een gerechtelijke of administratieve procedure wordt gevoerd, aan de verzekerde in de polisvoorwaarden steeds het recht op vrije keuze van zijn rechtshulpverlener moet worden geboden.

16 Hij overweegt dat de wijze waarop het hoofdgeding wordt beslecht gewisse maatschappelijke gevolgen kan hebben omdat een stijging van de verzekeringspremies, wellicht zelfs van forse omvang, voor de hand ligt als een dergelijke uitlegging van artikel 4, lid 1, van richtlijn 87/344 werd aanvaard.

17 Daarop heeft de Hoge Raad der Nederlanden de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:

„1) Laat artikel 4, lid 1, van richtlijn 87/344/EEG toe dat een rechtsbijstandverzekeraar die in zijn polissen regelt dat rechtsbijstand in gerechtelijke of administratieve procedures in beginsel zal worden verleend door werknemers van de verzekeraar, tevens nog bedingt dat de kosten van rechtsbijstand van een door de verzekerde vrij gekozen advocaat of rechtsbijstandverlener slechts onder de dekking vallen indien de verzekeraar van mening is dat de behandeling van de zaak aan een externe rechtshulpverlener moet worden uitbesteed?

2) Maakt het voor de beantwoording van de eerste vraag verschil of voor de desbetreffende gerechtelijke of administratieve procedure rechtsbijstand wel of niet verplicht is?”

Beantwoording van de prejudiciële vragen

Eerste vraag

18 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 4, lid 1, sub a, van richtlijn 87/344/EEG aldus moet worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat een rechtsbijstandverzekeraar die in zijn verzekeringsovereenkomsten regelt dat rechtsbijstand in beginsel wordt verleend door zijn werknemers, tevens bedingt dat de kosten van rechtsbijstand van een door de verzekerde vrij gekozen advocaat of rechtsbijstandverlener slechts vergoed kunnen worden indien de verzekeraar van mening is dat de behandeling van de zaak aan een externe rechtshulpverlener moet worden uitbesteed.

19 In dat verband blijkt volgens DAS uit de passieve vorm in de uitdrukking „indien een advocaat […] wordt gevraagd” in artikel 4, lid 1, sub a, van richtlijn 87/344, die ook in de Duitse, de Engelse en de Franse taalversie van deze bepaling voorkomt, dat hierin niet is vastgesteld of het in een procedure aan de verzekeraar of de verzekeringnemer is om te beoordelen of het noodzakelijk is een beroep te doen op een externe rechtsbijstandverlener. Daaruit volgt dat het DAS vrijstaat deze kwestie in haar verzekeringsovereenkomsten te regelen, nu deze bepaling kan worden opgevat als „indien [de verzekeraar besluit dat] een advocaat [moet worden] gevraagd […], [is] de verzekerde vrij […] om deze advocaat […] te kiezen”.

20 Een dergelijke restrictieve uitlegging van artikel 4, lid 1, sub a, van richtlijn 87/344 kan niet worden aanvaard.

21 In de eerste plaats kan de reikwijdte van de zinsnede „indien een advocaat […] wordt gevraagd […], [is] de verzekerde vrij […] om deze advocaat […] te kiezen” niet bij enkele lezing van artikel 4, lid 1, sub a, van richtlijn 87/344 worden bepaald. Voor de uitlegging van een bepaling van Unierecht moet echter niet enkel rekening worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context en de doelstellingen die de regeling waarvan zij deel uitmaakt, nastreeft (arrest Eschig, reeds aangehaald, punt 38).

22 In dat verband zij opgemerkt dat blijkens zowel de elfde overweging van de considerans van richtlijn 87/344 als artikel 4, lid 1, ervan het belang van de voor rechtsbijstand verzekerde inhoudt dat deze in het kader van gerechtelijke of administratieve procedures zelf zijn advocaat moet kunnen kiezen of elke andere persoon met kwalificaties die door het nationale recht worden erkend (arrest Stark, reeds aangehaald, punt 28).

23 Aldus vloeit uit artikel 4, lid 1, sub a, van richtlijn 87/344 in samenhang met de elfde overweging van de considerans ervan voort dat de vrije advocaatkeuze van de verzekeringnemer niet kan worden beperkt tot de situaties waarin de verzekeraar besluit dat een externe rechtsbijstandverlener in de arm moet worden genomen.

24 In de tweede plaats moet worden vastgesteld, zoals de Europese Commissie aanvoert, dat de doelstelling die door richtlijn 87/344 en inzonderheid artikel 4 ervan wordt nagestreefd, namelijk de belangen van de verzekerden ruim te beschermen (zie in die zin arrest Eschig, reeds aangehaald, punt 45), niet verenigbaar is met een restrictieve uitlegging van artikel 4, lid 1, sub a, van deze richtlijn, zoals door DAS bepleit.

25 In dat verband moet eraan worden herinnerd dat artikel 4, lid 1, van richtlijn 87/344 met betrekking tot de vrije keuze van de rechtshulpverlener een algemene strekking en een bindend karakter heeft (zie arresten Eschig, punt 47, en Stark, punt 29).

26 In de derde plaats moet met betrekking tot de kwestie van de hoogte van de verzekeringspremies worden gepreciseerd dat de verschillende manieren waarop de verzekerde zijn recht op vrije keuze van rechtshulpverlener kan uitoefenen, niet uitsluiten dat in bepaalde gevallen beperkingen kunnen worden gesteld aan de kosten die door de verzekeraars worden vergoed.

27 Overeenkomstig de rechtspraak van het Hof betekent de keuzevrijheid in de zin van artikel 4, lid 1, van richtlijn 87/344 niet dat de lidstaten in elk geval aan de verzekeraars de volledige dekking van de kosten van de verdediging van een verzekerde moeten opleggen, voor zover deze vrijheid niet van haar inhoud wordt beroofd. Dat zou het geval zijn indien het door de beperking van de vergoeding van deze kosten voor de verzekerde in de praktijk onmogelijk werd, een redelijke keuze te maken wat zijn vertegenwoordiger betreft. In ieder geval staat het aan de dienaangaande eventueel aangezochte nationale rechterlijke instanties om na te gaan of sprake is van zodanige beperking (zie in die zin arrest Stark, punt 33).

28 Bovendien blijven de overeenkomstsluitende partijen vrij om een hoger niveau van vergoeding van de kosten van rechtsbijstand overeen te komen, eventueel tegen betaling van een hogere premie door de verzekerde (zie in die zin arrest Stark, punt 34).

29 Gelet op de voorgaande overwegingen moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 4, lid 1, sub a, van richtlijn 87/344 aldus moet worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat een rechtsbijstandverzekeraar die in zijn verzekeringsovereenkomsten regelt dat rechtsbijstand in beginsel wordt verleend door zijn werknemers, tevens bedingt dat de kosten van rechtsbijstand van een door de verzekerde vrij gekozen advocaat of rechtsbijstandverlener slechts vergoed kunnen worden indien de verzekeraar van mening is dat de behandeling van de zaak aan een externe rechtshulpverlener moet worden uitbesteed.

Tweede vraag

30 Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of het voor het antwoord op de eerste vraag verschil maakt of rechtsbijstand voor de desbetreffende gerechtelijke of administratieve procedure naar nationaal recht verplicht is.

31 Aangezien, enerzijds, het recht van de verzekerde om zijn rechtshulpverlener vrij te kiezen, een algemene strekking en een bindend karakter heeft, zoals in punt 25 van dit arrest in herinnering is geroepen, en anderzijds, richtlijn 87/344 het bestaan en de reikwijdte van dat recht niet afhankelijk stelt van nationale regels voor de vertegenwoordiging in rechte, zoals blijkt uit onder meer de elfde overweging van de considerans en artikel 4, lid 1, sub a, van de richtlijn, kunnen deze nationale regels niet van invloed zijn op het antwoord op de eerste vraag.

32 Gelet op deze overwegingen moet op de tweede vraag worden geantwoord dat het voor de beantwoording van de eerste vraag geen verschil maakt of rechtsbijstand voor de desbetreffende gerechtelijke of administratieve procedure naar nationaal recht verplicht is.

Kosten

33 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Achtste kamer) verklaart voor recht:

1) Artikel 4, lid 1, sub a, van richtlijn 87/344/EEG van de Raad van 22 juni 1987 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de rechtsbijstandverzekering, moet aldus worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat een rechtsbijstandverzekeraar die in zijn verzekeringsovereenkomsten regelt dat rechtsbijstand in beginsel wordt verleend door zijn werknemers, tevens bedingt dat de kosten van rechtsbijstand van een door de verzekerde vrij gekozen advocaat of rechtsbijstandverlener slechts vergoed kunnen worden indien de verzekeraar van mening is dat de behandeling van de zaak aan een externe rechtshulpverlener moet worden uitbesteed.

2) Voor de beantwoording van de eerste vraag maakt het geen verschil of rechtsbijstand voor de desbetreffende gerechtelijke of administratieve procedure naar nationaal recht verplicht is.

ondertekeningen

* Procestaal: Nederlands.

0

Kennelijk onredelijk ontslag

Kennelijk onredelijk ontslag

Kennelijk onredelijk ontslag. De wijze waarop werkgever verwijten heeft gemaakt en de procedurele keuzes hebben een bijdrage geleverd aan de verstoring van de relatie die aan de opzegging ten grondslag ligt. Bijzondere positie directeur die zonder noodzakelijk vertrouwen van zijn verenigingsbestuur niet kan functioneren.


De uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Roermond

Zaaknummer: 3647838 AZ VERZ 14-361

Beschikking van de kantonrechter van 11 februari 2015

in de zaak van:

[verzoeker] , wonende te [woonplaats] aan de [adres],

verzoeker,

gemachtigde: mr. M.E. van Schaick,

tegen:

de vennootschap naar buitenlands recht GF Machining Solutions International SA , gevestigd te 6616 Losone, Zwitserland aan het adres Via dei Pioppi 2,

verweerster,

gemachtigde: mr. M.W.F.M. de Leeuw.

Partijen zullen hierna [verzoeker] en GF genoemd worden.

1De procedure

1.1.Op 3 december 2014 is ter griffie ingekomen een verzoekschrift van [verzoeker], waarbij hij verzoekt de tussen hem als werknemer en GF als werkgeefster bestaande arbeidsovereenkomst te ontbinden wegens de in het verzoekschrift vermelde gewichtige redenen.
1.2.Op 23 januari 2015 is door GF een verweerschrift ingediend, waarbij GF zich gemotiveerd heeft verzet tegen de verzochte ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Tevens heeft GF bij tegenverzoek voorwaardelijk, onder de voorwaarde dat de arbeidsovereenkomst niet reeds zal eindigen door middel van opzegging na verkregen toestemming van het UWV, verzocht de arbeidsovereenkomst te ontbinden wegens gewichtige redenen.
1.3.Op 28 januari 2015 is een mondelinge behandeling van de zaak gehouden.
1.4.Partijen hebben daarna verzocht een beschikking te geven, waarvan de uitspraak is bepaald op heden.

2De beoordeling

2.1.Gelet op de stukken en de ter mondelinge behandeling door partijen afgelegde verklaringen, alsmede gelet op hetgeen partijen op vragen van de kantonrechter over en weer nog hebben aangevoerd, stelt de kantonrechter het navolgende vast.- [verzoeker] is op 18 maart 1996 bij (de rechtsvoorganger van) GF in dienst getreden en vervult thans de functie van Director Branch Office Benelux tegen een salaris van € 8.593,75 bruto per maand. [verzoeker] is 51 jaar oud.

– Op 3 september 2014 is [verzoeker] door zijn leidinggevenden geïnformeerd dat de productieafdeling van de Branch Office Benelux zal worden gesloten en dat de werknemers die voor dit onderdeel werkzaam zijn – inclusief [verzoeker] – worden voorgedragen voor ontslag. [verzoeker] heeft daarbij tot eind september 2014 de gelegenheid gekregen om na te denken over het eventueel overnemen van productieactiviteiten door middel van een ‘management buyout’. Op 4 september 2014 heeft [verzoeker] zich ziek gemeld en tot op heden niet hersteld.

– Op 26 september heeft [verzoeker] van GF een brief ontvangen waarin de arbeidsovereenkomst werd opgezegd tegen 31 maart 2015. [verzoeker] heeft de opzegging schriftelijk vernietigd en aangegeven dat hij bereid is te spreken over een minnelijke regeling ter beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden.

– Op 10 november 2014 heeft GF bij UWV Werkbedrijf een ontslagvergunning aangevraagd. Ten tijde van de mondelinge behandeling van de onderhavige verzoekschriften was nog geen beslissing op de aanvraag gegeven.

– Op 26 november 2014 heeft GF aan [verzoeker] een voorstel gedaan voor een minnelijke regeling ter beëindiging van de arbeidsovereenkomst, welk voorstel door [verzoeker] niet is geaccepteerd.

2.2.[verzoeker] verzoekt thans ontbinding van de arbeidsovereenkomst omdat hij de ontslagprocedure bij UWV Werkbedrijf niet wenst af te wachten. Niet alleen omdat [verzoeker] een lange opzegtermijn heeft, maar ook omdat niet zeker is of UWV wel toestemming zal verlenen en er sprake is van een opzegverbod vanwege arbeidsongeschiktheid. [verzoeker] stelt dat de organisatiewijzigingen van de laatste 10 jaar een zware wissel hebben getrokken op de verhouding met zijn leidinggevenden en zijn gezondheid en hebben geleid tot zijn huidige arbeidsongeschiktheid. De ontslagaanzegging en het eenzijdig handelen van GF zijn daarbij de spreekwoordelijke druppel geweest. Na de ziekmelding heeft GF geen contact met [verzoeker] opgenomen en hem feitelijk al uit zijn functie ontheven door hem niet meer op de hoogte te houden van de ontwikkelingen binnen het bedrijf, geen notulen meer te verstrekken en zijn autorisatie voor het computerprogramma Board in te trekken. GF heeft ook geen opvolging gegeven aan het advies van de bedrijfsarts om mediation aan te gaan. Uiteindelijk heeft pas op 21 januari 2015 (een week voor de mondelinge behandeling) een mediationgesprek plaatsgevonden maar dat heeft geen resultaat opgeleverd. Er is sprake van een verstoordearbeidsrelatie en voortzetting van de arbeidsrelatie is ziekmakend zodat van [verzoeker] niet kan worden gevergd dat hij het einde van zijn dienstverband afwacht, aldus [verzoeker].

2.3.

GF voert verweer tegen de door [verzoeker] verzochte ontbinding en stelt – kort gezegd – dat het enkele feit dat GF heeft medegedeeld dat de productieafdeling van de Branch Office Benelux zal worden gesloten niet maakt dat zij verwijtbaar heeft gehandeld en dat er daardoor sprake zou zijn van een verstoorde arbeidsverhouding. Sinds die mededeling tracht [verzoeker] evenwel een breuk te forceren door GF allerlei verwijten te maken. Voor zover er al redenen zijn om de arbeidsovereenkomst te ontbinden zijn deze aan [verzoeker] zelf te wijten, aldus GF. GF heeft [verzoeker] op 26 november 2014 nog een schriftelijk beëindigingsvoorstel gedaan, maar nog voordat de termijn om op het voorstel te reageren was verstreken heeft [verzoeker] het ontbindingsverzoek ingediend.

Voor zover het dienstverband niet op andere wijze zal eindigen, bijvoorbeeld middels opzegging na verkregen toestemming van UWV, verzoekt GF de arbeidsovereenkomst voorwaardelijk te ontbinden wegens wijzigingen in de omstandigheden die aan [verzoeker] te wijten zijn.

2.4.De kantonrechter stelt bij de beoordeling voorop dat de door partijen aangehaalde Van Hooff Elektra-doctrine in de onderhavige situatie strikt genomen niet van toepassing is. Er is immers (nog) geen sprake van een door UWV Werkbedrijf verleende toestemming om de arbeidsovereenkomst op te mogen zeggen, zodat van een opzegging en een ontbindings-verzoek tijdens de opzegtermijn eveneens geen sprake is. Het einde van het dienstverband staat derhalve nog niet vast. Het verzoek van [verzoeker] dient dan ook niet getoetst te worden aan de stringentere norm van Van Hooff Elektra, maar moet worden beoordeeld als een ‘normaal’ verzoekschrift. Daarbij staat wel voorop dat het indienen van een ontbindings-verzoek met als reden een (hogere) beëindigingsvergoeding te verkrijgen, op zichzelf geen gegronde reden voor een ontbinding van de arbeidsovereenkomst kan opleveren, zodat dient te worden getoetst of de grond voor het ontbindingsverzoek niet enkel is gelegen in de wens van [verzoeker] om een vergoeding te verkrijgen.
2.5.[verzoeker] heeft aan zijn verzoekschrift ten grondslag gelegd dat er sprake is van een verstoorde arbeidsrelatie die ziekmakend zou zijn. De kantonrechter is van oordeel dat [verzoeker] niet aannemelijk heeft gemaakt dat voorafgaand aan het gesprek van 3 september 2014 reeds sprake was van een moeizame of verstoorde relatie tussen hem en de heer [X] (Head of Region voor Europa) en/of de heer [Y] (Managing Director) als gevolg van de organisatiewijzigingen in 2007 en later. Iedere aanwijzing daarvoor ontbreekt in het dossier. Wel acht de kantonrechter aannemelijk dat [verzoeker] het niet eens was met de wijze waarop de verschillende reorganisaties bij GF werden doorgevoerd en dat [verzoeker] die reorganisaties als directeur moest begeleiden en dat dit bij hem tot onvrede heeft geleid. Dat maakt echter nog niet dat daarmee een verstoorde arbeidsrelatie voorafgaande aan 3 september 2014 kan worden vastgesteld.
2.6.Het voorgaande brengt met zich mee dat de verstoorde arbeidsrelatie, voor zover daarvan thans sprake is, naar het oordeel van de kantonrechter eerst is ontstaan (of geconstrueerd) nadat GF aan [verzoeker] heeft kenbaar gemaakt dat de productieafdeling van de Branch Office Benelux zal worden gesloten en dus in het zicht van een voorgenomen beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Uit het feit dat [verzoeker] vervolgens een ontbindingsverzoek bij de kantonrechter heeft ingediend nadat door GF een – in de visie van [verzoeker] te mager – beëindigingsvoorstel is gedaan, kan de kantonrechter niet anders concluderen dan dat het [verzoeker] enkel te doen is om een hogere beëindigingsvergoeding te verkrijgen. Het verzoek zal dus moeten worden afgewezen vanwege het ontbreken van een gegronde reden daartoe.
2.7.Het tegenverzoek van GF is gedaan onder de voorwaarde dat de arbeidsovereenkomst niet reeds zal eindigen door middel van opzegging na verkregen toestemming van het UWV Werkbedrijf. De kantonrechter is van oordeel dat het uitspreken van de ontbinding van de arbeidsovereenkomst onder deze voorwaarde niet mogelijk is, omdat een dergelijke voorwaarde in strijd komt met het stelsel van het ontslagrecht en van de ontbindingsprocedure in het bijzonder. De ontbindingsprocedure is gericht op het verkrijgen van een spoedige beslissing omtrent het al dan niet eindigen van de arbeidsovereenkomst op grond van veranderingen in de omstandigheden die van dien aard zijn dat de overeenkomst dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen. Daarmee geeft artikel 7:685 BW slechts ruimte voor ontbinding op korte termijn. Nu GF in feite de UWV-procedure wil afwachten en slechts ontbinding vraagt voor het geval dat UWV afwijzend beslist, is van een onmiddellijke noodzaak tot ontbinding kennelijk geen sprake. Het verzoek van GF zal dus eveneens moeten worden afgewezen.
2.8.Tot slot merkt de kantonrechter nog op dat [verzoeker] door aldus te beslissen feitelijk in ieder geval niet wordt benadeeld. In geval van opzegging ligt immers de route van een kennelijk onredelijk ontslag open. In geval van afwijzing van het verzoek tot toestemming door UWV of het niet kunnen opzeggen vanwege het ontslagverbod bij ziekte, kan een hernieuwd verzoek tot ontbinding worden ingediend.
2.9.In de aard en uitkomst van deze procedure ziet de kantonrechter aanleiding de kosten van het geding te compenseren.

3De beslissing

De kantonrechter

3.1.wijst het over en weer verzochte af,

3.2.compenseert de proceskosten in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Aldus gegeven door mr. J. Schreurs-van de Langemheen, en in het openbaar uitgesproken.

Verstoorde arbeidsrelatie

Verstoorde arbeidsrelatie

Verstoorde arbeidsrelatie met een werknemer die zich beroepen heeft op een opzegverbod (ziekte).


De uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Roermond

Zaaknummer: 3647838 AZ VERZ 14-361

Beschikking van de kantonrechter van 11 februari 2015

in de zaak van:

[verzoeker] , wonende te [woonplaats] aan de [adres],

verzoeker,

gemachtigde: mr. M.E. van Schaick,

tegen:

de vennootschap naar buitenlands recht GF Machining Solutions International SA , gevestigd te 6616 Losone, Zwitserland aan het adres Via dei Pioppi 2,

verweerster,

gemachtigde: mr. M.W.F.M. de Leeuw.

Partijen zullen hierna [verzoeker] en GF genoemd worden.

1De procedure

1.1.Op 3 december 2014 is ter griffie ingekomen een verzoekschrift van [verzoeker], waarbij hij verzoekt de tussen hem als werknemer en GF als werkgeefster bestaande arbeidsovereenkomst te ontbinden wegens de in het verzoekschrift vermelde gewichtige redenen.
1.2.Op 23 januari 2015 is door GF een verweerschrift ingediend, waarbij GF zich gemotiveerd heeft verzet tegen de verzochte ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Tevens heeft GF bij tegenverzoek voorwaardelijk, onder de voorwaarde dat de arbeidsovereenkomst niet reeds zal eindigen door middel van opzegging na verkregen toestemming van het UWV, verzocht de arbeidsovereenkomst te ontbinden wegens gewichtige redenen.
1.3.Op 28 januari 2015 is een mondelinge behandeling van de zaak gehouden.
1.4.Partijen hebben daarna verzocht een beschikking te geven, waarvan de uitspraak is bepaald op heden.

2De beoordeling

2.1.Gelet op de stukken en de ter mondelinge behandeling door partijen afgelegde verklaringen, alsmede gelet op hetgeen partijen op vragen van de kantonrechter over en weer nog hebben aangevoerd, stelt de kantonrechter het navolgende vast.- [verzoeker] is op 18 maart 1996 bij (de rechtsvoorganger van) GF in dienst getreden en vervult thans de functie van Director Branch Office Benelux tegen een salaris van € 8.593,75 bruto per maand. [verzoeker] is 51 jaar oud.

– Op 3 september 2014 is [verzoeker] door zijn leidinggevenden geïnformeerd dat de productieafdeling van de Branch Office Benelux zal worden gesloten en dat de werknemers die voor dit onderdeel werkzaam zijn – inclusief [verzoeker] – worden voorgedragen voor ontslag. [verzoeker] heeft daarbij tot eind september 2014 de gelegenheid gekregen om na te denken over het eventueel overnemen van productieactiviteiten door middel van een ‘management buyout’. Op 4 september 2014 heeft [verzoeker] zich ziek gemeld en tot op heden niet hersteld.

– Op 26 september heeft [verzoeker] van GF een brief ontvangen waarin de arbeidsovereenkomst werd opgezegd tegen 31 maart 2015. [verzoeker] heeft de opzegging schriftelijk vernietigd en aangegeven dat hij bereid is te spreken over een minnelijke regeling ter beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden.

– Op 10 november 2014 heeft GF bij UWV Werkbedrijf een ontslagvergunning aangevraagd. Ten tijde van de mondelinge behandeling van de onderhavige verzoekschriften was nog geen beslissing op de aanvraag gegeven.

– Op 26 november 2014 heeft GF aan [verzoeker] een voorstel gedaan voor een minnelijke regeling ter beëindiging van de arbeidsovereenkomst, welk voorstel door [verzoeker] niet is geaccepteerd.

2.2.[verzoeker] verzoekt thans ontbinding van de arbeidsovereenkomst omdat hij de ontslagprocedure bij UWV Werkbedrijf niet wenst af te wachten. Niet alleen omdat [verzoeker] een lange opzegtermijn heeft, maar ook omdat niet zeker is of UWV wel toestemming zal verlenen en er sprake is van een opzegverbod vanwege arbeidsongeschiktheid. [verzoeker] stelt dat de organisatiewijzigingen van de laatste 10 jaar een zware wissel hebben getrokken op de verhouding met zijn leidinggevenden en zijn gezondheid en hebben geleid tot zijn huidige arbeidsongeschiktheid. De ontslagaanzegging en het eenzijdig handelen van GF zijn daarbij de spreekwoordelijke druppel geweest. Na de ziekmelding heeft GF geen contact met [verzoeker] opgenomen en hem feitelijk al uit zijn functie ontheven door hem niet meer op de hoogte te houden van de ontwikkelingen binnen het bedrijf, geen notulen meer te verstrekken en zijn autorisatie voor het computerprogramma Board in te trekken. GF heeft ook geen opvolging gegeven aan het advies van de bedrijfsarts om mediation aan te gaan. Uiteindelijk heeft pas op 21 januari 2015 (een week voor de mondelinge behandeling) een mediationgesprek plaatsgevonden maar dat heeft geen resultaat opgeleverd. Er is sprake van een verstoordearbeidsrelatie en voortzetting van de arbeidsrelatie is ziekmakend zodat van [verzoeker] niet kan worden gevergd dat hij het einde van zijn dienstverband afwacht, aldus [verzoeker].

2.3.

GF voert verweer tegen de door [verzoeker] verzochte ontbinding en stelt – kort gezegd – dat het enkele feit dat GF heeft medegedeeld dat de productieafdeling van de Branch Office Benelux zal worden gesloten niet maakt dat zij verwijtbaar heeft gehandeld en dat er daardoor sprake zou zijn van een verstoorde arbeidsverhouding. Sinds die mededeling tracht [verzoeker] evenwel een breuk te forceren door GF allerlei verwijten te maken. Voor zover er al redenen zijn om de arbeidsovereenkomst te ontbinden zijn deze aan [verzoeker] zelf te wijten, aldus GF. GF heeft [verzoeker] op 26 november 2014 nog een schriftelijk beëindigingsvoorstel gedaan, maar nog voordat de termijn om op het voorstel te reageren was verstreken heeft [verzoeker] het ontbindingsverzoek ingediend.

Voor zover het dienstverband niet op andere wijze zal eindigen, bijvoorbeeld middels opzegging na verkregen toestemming van UWV, verzoekt GF de arbeidsovereenkomst voorwaardelijk te ontbinden wegens wijzigingen in de omstandigheden die aan [verzoeker] te wijten zijn.

2.4.De kantonrechter stelt bij de beoordeling voorop dat de door partijen aangehaalde Van Hooff Elektra-doctrine in de onderhavige situatie strikt genomen niet van toepassing is. Er is immers (nog) geen sprake van een door UWV Werkbedrijf verleende toestemming om de arbeidsovereenkomst op te mogen zeggen, zodat van een opzegging en een ontbindings-verzoek tijdens de opzegtermijn eveneens geen sprake is. Het einde van het dienstverband staat derhalve nog niet vast. Het verzoek van [verzoeker] dient dan ook niet getoetst te worden aan de stringentere norm van Van Hooff Elektra, maar moet worden beoordeeld als een ‘normaal’ verzoekschrift. Daarbij staat wel voorop dat het indienen van een ontbindings-verzoek met als reden een (hogere) beëindigingsvergoeding te verkrijgen, op zichzelf geen gegronde reden voor een ontbinding van de arbeidsovereenkomst kan opleveren, zodat dient te worden getoetst of de grond voor het ontbindingsverzoek niet enkel is gelegen in de wens van [verzoeker] om een vergoeding te verkrijgen.
2.5.[verzoeker] heeft aan zijn verzoekschrift ten grondslag gelegd dat er sprake is van een verstoorde arbeidsrelatie die ziekmakend zou zijn. De kantonrechter is van oordeel dat [verzoeker] niet aannemelijk heeft gemaakt dat voorafgaand aan het gesprek van 3 september 2014 reeds sprake was van een moeizame of verstoorde relatie tussen hem en de heer [X] (Head of Region voor Europa) en/of de heer [Y] (Managing Director) als gevolg van de organisatiewijzigingen in 2007 en later. Iedere aanwijzing daarvoor ontbreekt in het dossier. Wel acht de kantonrechter aannemelijk dat [verzoeker] het niet eens was met de wijze waarop de verschillende reorganisaties bij GF werden doorgevoerd en dat [verzoeker] die reorganisaties als directeur moest begeleiden en dat dit bij hem tot onvrede heeft geleid. Dat maakt echter nog niet dat daarmee een verstoorde arbeidsrelatie voorafgaande aan 3 september 2014 kan worden vastgesteld.
2.6.Het voorgaande brengt met zich mee dat de verstoorde arbeidsrelatie, voor zover daarvan thans sprake is, naar het oordeel van de kantonrechter eerst is ontstaan (of geconstrueerd) nadat GF aan [verzoeker] heeft kenbaar gemaakt dat de productieafdeling van de Branch Office Benelux zal worden gesloten en dus in het zicht van een voorgenomen beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Uit het feit dat [verzoeker] vervolgens een ontbindingsverzoek bij de kantonrechter heeft ingediend nadat door GF een – in de visie van [verzoeker] te mager – beëindigingsvoorstel is gedaan, kan de kantonrechter niet anders concluderen dan dat het [verzoeker] enkel te doen is om een hogere beëindigingsvergoeding te verkrijgen. Het verzoek zal dus moeten worden afgewezen vanwege het ontbreken van een gegronde reden daartoe.
2.7.Het tegenverzoek van GF is gedaan onder de voorwaarde dat de arbeidsovereenkomst niet reeds zal eindigen door middel van opzegging na verkregen toestemming van het UWV Werkbedrijf. De kantonrechter is van oordeel dat het uitspreken van de ontbinding van de arbeidsovereenkomst onder deze voorwaarde niet mogelijk is, omdat een dergelijke voorwaarde in strijd komt met het stelsel van het ontslagrecht en van de ontbindingsprocedure in het bijzonder. De ontbindingsprocedure is gericht op het verkrijgen van een spoedige beslissing omtrent het al dan niet eindigen van de arbeidsovereenkomst op grond van veranderingen in de omstandigheden die van dien aard zijn dat de overeenkomst dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen. Daarmee geeft artikel 7:685 BW slechts ruimte voor ontbinding op korte termijn. Nu GF in feite de UWV-procedure wil afwachten en slechts ontbinding vraagt voor het geval dat UWV afwijzend beslist, is van een onmiddellijke noodzaak tot ontbinding kennelijk geen sprake. Het verzoek van GF zal dus eveneens moeten worden afgewezen.
2.8.Tot slot merkt de kantonrechter nog op dat [verzoeker] door aldus te beslissen feitelijk in ieder geval niet wordt benadeeld. In geval van opzegging ligt immers de route van een kennelijk onredelijk ontslag open. In geval van afwijzing van het verzoek tot toestemming door UWV of het niet kunnen opzeggen vanwege het ontslagverbod bij ziekte, kan een hernieuwd verzoek tot ontbinding worden ingediend.
2.9.In de aard en uitkomst van deze procedure ziet de kantonrechter aanleiding de kosten van het geding te compenseren.

3De beslissing

De kantonrechter

3.1.wijst het over en weer verzochte af,

3.2.compenseert de proceskosten in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Aldus gegeven door mr. J. Schreurs-van de Langemheen, en in het openbaar uitgesproken.

0

Streep door omzeiling flexwet

Streep door omzeilen ketenregeling

De Hoge Raad heeft een streep gezet door een sluiproute van een werkgever om personeel oneindig tijdelijke contracten te kunnen aanbieden.  

Volgens het huidige recht kan een werkgever in drie jaar maximaal drie tijdelijke arbeidsovereenkomsten met een werknemer aangaan. Ook kan een werknemer maximaal gedurende drie jaren tijdelijk in dienst zijn. Bij overschrijding van die periode of bij een vierde contract dat volgt, is de werknemer voor onbepaalde tijd in dienst. Deze “keten” kan volgens het huidige recht worden doorbroken met een periode van ten minste drie maanden. Alsdan begint een nieuwe “keten”.

In de zaak die de Hoge Raad moest beoordelen, had een werkgever de werknemer een vierde arbeidsovereenkomst voorgelegd, waarin hij had opgenomen, dat de vierde arbeidsovereenkomst zou eindigen na een jaar door middel van een vaststellingsovereenkomst.

De werkgever hoopte zo de regels te omzeilen, maar de Hoge Raad oordeelde dat een vaststellingsovereenkomst erop gericht is om aan een bestaand geschil een einde te maken. En dus niet om op voorhand een arbeidsovereenkomst te laten eindigen. De bedoeling was immers niet gericht op het beeindigen van een geschil, maar op het omzeilen van de keten.

Vanaf 1 juli 2015

Vanaf 1 juli 2015 verandert de wet. Op dit moment wordt de “keten” nog onderbroken door een uit-dienst-periode van drie maanden, vanaf 1 juli 2015 zal die onderbreking ten minste zes maanden moeten bedragen. Ook wordt de periode van drie maanden gewijzigd in twee maanden.

ECLI:NL:HR:2015:39, 9 januari 2015

Ontslag op staande voet

Ontslag op staande voet: geen werkweigering tijdens vrijstelling werk

Geen dringende reden voor ontslag op staande voet wegens werkweigering. Het niet verschijnen op het werk levert onder de gegeven omstandigheden, waarbij werkneemster vrijstelling van haar werkzaamheden heeft gedurende onderhandelingen partijen en verstoorde verhouding tussen partijen, geen dringende reden in de zin van artikel 7:677 lid 1 BW.


De uitspraak

ECLI:NL:GHSHE:2014:2978

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.127.359/01

arrest van 26 augustus 2014

in de zaak van

1. [Cafetaria-Croissanterie], [Cafetaria-Croissanterie],

gevestigd te [woonplaats],

2. [appellante 2],

wonende te [woonplaats],

3. [appellant 3],

wonende te [woonplaats],

appellanten,

hierna gezamenlijk aan te duiden als [Cafetaria-Croissanterie],

advocaat: mr. A.A. Slager te Zoetermeer,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde],

advocaat: mr. P.H.G.C. Gremmen te Roosendaal,

op het bij exploot van dagvaarding van 7 mei 2013 ingeleide hoger beroep van het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, team kanton Bergen op Zoom van 7 januari 2013, gewezen tussen [Cafetaria-Croissanterie] als gedaagde en [geïntimeerde] als eiseres.

1Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 745025 CV EXPL 12-6835)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

– de dagvaarding in hoger beroep met grieven en producties;

– de conclusie van eis in hoger beroep tevens akte overleggen productie;

– de memorie van antwoord.

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3De beoordeling

3.1.In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

– [geïntimeerde], geboren op [geboortedatum] 1968, is op 15 januari 1998 in dienst getreden bij [Cafetaria-Croissanterie], een cafetaria/croissanterie. [geïntimeerde] was laatstelijk bij [Cafetaria-Croissanterie] werkzaam in de functie van bedrijfsleidster tegen een salaris van € 2.237,08 bruto per maand exclusief vakantietoeslag.

– Tussen [appellant 3] (appellant sub 3, hierna: [appellant 3]) en [geïntimeerde] heeft gedurende 12 jaar een affectieve relatie bestaan. [geïntimeerde] heeft deze relatie medio 2011 beëindigd.

– [geïntimeerde] is in oktober 2011 arbeidsongeschikt geworden. In overleg met de bedrijfsarts is [geïntimeerde] in januari 2012 voor drie maal vier uur gaan werken.

– Eind januari 2012 zijn partijen het met elkaar eens geworden dat de arbeidsovereenkomst tussen hen zou worden beëindigd. Zij zijn vervolgens met elkaar in overleg getreden over de voorwaarden waaronder de arbeidsovereenkomst beëindigd zou worden. [Tijdens de onderhandelingen daarover was [geïntimeerde] door [Cafetaria-Croissanterie] vrijgesteld van het verrichten van werkzaamheden met behoud van loon.

– Tijdens een bespreking tussen partijen op 13 februari 2012 is door [Cafetaria-Croissanterie] een eerste concept vaststellingsovereenkomst aan [geïntimeerde] overhandigd waarin onder meer 31 mei 2012 als beëindigingsdatum was opgenomen. Deze vaststellingsovereenkomst is niet door partijen getekend.

– Bij brief van 16 april 2012 heeft de toenmalige gemachtigde van [geïntimeerde] een tweede concept vaststellingsovereenkomst doen toekomen aan [Cafetaria-Croissanterie], waarin onder meer als beëindigingsdatum 1 juli 2012 is opgenomen. Ook toen is het niet tot een ondertekening gekomen.

– Bij brief van haar gemachtigde van 25 juni 2012 heeft [Cafetaria-Croissanterie] een nieuw voorstel aan [geïntimeerde] gedaan om tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden te komen. Hierin staat onder meer vermeld dat het dienstverband met wederzijds goedvinden eindigt per 30 september 2012 en dat [geïntimeerde] tot het einde van het dienstverband wordt vrijgesteld van haar werkzaamheden met behoud van loon. [geïntimeerde] heeft voornoemd voorstel niet geaccepteerd.

– Bij faxbericht van haar gemachtigde van 1 augustus 2012 heeft [Cafetaria-Croissanterie] [geïntimeerde] medegedeeld haar nog één maal in de gelegenheid te stellen haar werkzaamheden te hervatten, dat zij op woensdag 8 augustus 2012 van 10.00 uur tot 19.00 uur moet komen werken en dat als zij niet zou komen opdagen, voor [Cafetaria-Croissanterie] aanleiding zou kunnen bestaan om de loonbetaling te staken en [geïntimeerde] ontslag op staande voet te geven op grond van werkweigering.

– Bij brief van 7 augustus 2012 heeft de gemachtigde van [geïntimeerde] er onder meer op gewezen dat [geïntimeerde] door [Cafetaria-Croissanterie] is vrijgesteld van het verrichten van haar werkzaamheden tot het moment waarop de arbeidsovereenkomst zal zijn beëindigd.

– ’ t [Cafetaria-Croissanterie] heeft bij emailbericht van 14 augustus 2014 [geïntimeerde] medegedeeld geen loon meer te betalen, nu [geïntimeerde] op 8 augustus 2012 niet op haar werk is verschenen, en heeft haar vervolgens een officiële waarschuwing gegeven.

– Bij brief van 22 augustus 2012 heeft de gemachtigde van [geïntimeerde] [Cafetaria-Croissanterie] gesommeerd het salaris van [geïntimeerde] alsnog over te maken en gewezen op het feit dat er onderhandelingen gaande zijn over beëindiging van de arbeidsovereenkomst en dat [Cafetaria-Croissanterie] zelf te kennen heeft gegeven dat [geïntimeerde] is vrijgesteld van haar werkzaamheden tot 30 september 2012.

– ’ t [Cafetaria-Croissanterie] heeft het loon toch doorbetaald.

– Bij brief van haar gemachtigde van 6 september 2012 heeft [Cafetaria-Croissanterie] [geïntimeerde] gesommeerd om op maandag 10 september 2012 om 10.00 uur haar werkzaamheden te hervatten en dat ontslag op staande voet zou volgen, indien [geïntimeerde] niet tot werkhervatting zou overgaan. [geïntimeerde] is op 10 september 2012 niet op het werk verschenen.

– Bij brief van haar gemachtigde van 11 september 2012 heeft [Cafetaria-Croissanterie] [geïntimeerde] op staande voet ontslagen op grond van werkweigering. [Cafetaria-Croissanterie] heeft de loonbetaling aan [geïntimeerde] gestaakt.

– De gemachtigde van [geïntimeerde] heeft bij brief van 18 september 2012 de nietigheid van het ontslag op staande voet ingeroepen.

– Bij beschikking van 7 januari 2013 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant, team kanton Bergen op Zoom de arbeidsovereenkomst tussen partijen, voor het geval in rechte komt vast te staan dat deze nog bestaat, op grond van een verandering in de omstandigheden ontbonden met ingang van 16 januari 2013 en aan [geïntimeerde] ten laste van [Cafetaria-Croissanterie] een vergoeding toegekend van € 23.000,- bruto.

3.2.1.In de onderhavige procedure heeft [geïntimeerde] in eerste aanleg gevorderd [Cafetaria-Croissanterie] uitvoerbaar bij voorraad te veroordelen tot betaling van:

a. a) het loon over de maand september 2012 ad € 2.237,08;

b) het loon vanaf oktober 2012 totdat het dienstverband op rechtsgeldige wijze is beëindigd;

c) de wettelijke rente over het sub a en sub b gevorderde;

d) de wettelijke verhoging over het sub a en sub b gevorderde;

e) de buitengerechtelijke kosten;

f) de proceskosten.

3.2.2.Aan deze vordering heeft [geïntimeerde], kort samengevat, ten grondslag gelegd dat het haar door [Cafetaria-Croissanterie] op 11 september 2012 gegeven ontslag op staande voet nietig is en dat dientengevolge het dienstverband inclusief de daaruit voortvloeiende loonbetalingsverplich-ting doorloopt totdat het dienstverband rechtsgeldig is geëindigd, zijnde 16 januari 2013.

3.2.3. ‘

t [Cafetaria-Croissanterie] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.

[Cafetaria-Croissanterie] heeft daarnaast in reconventie gevorderd [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 7.449,21 ter zake van schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 januari 2013 tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten.

3.3.Bij vonnis waarvan beroep, hersteld bij herstelvonnis van 15 mei 2013, heeft de kantonrechter in conventie de vorderingen van [geïntimeerde] toegewezen met dien verstande dat de wettelijke rente is toegewezen (telkens) vanaf de dag van opeisbaarheid tot aan de dag der algehele voldoening en de wettelijke verhoging is gematigd tot 10%.

3.4. ‘t [Cafetaria-Croissanterie] heeft in hoger beroep vijf grieven aangevoerd. Deze grieven richten zich, kort gezegd, tegen het oordeel van de kantonrechter dat de nietigheid van het ontslag terecht is ingeroepen en dat het dienstverband heeft voortgeduurd tot 16 januari 2013. [Cafetaria-Croissanterie] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van [geïntimeerde], met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten van beide instanties, te vermeerderen met nakosten. Het hof zal de grieven, gelet op hun onderlinge samenhang, gezamenlijk behandelen.

3.5.[geïntimeerde] heeft de grieven gemotiveerd bestreden.

3.6. Het hof overweegt als volgt.

Het geschil van partijen betreft de vraag of sprake is van een dringende reden voor het door [Cafetaria-Croissanterie] aan [geïntimeerde] ontslag in de zin van artikel 7:677 lid 1 BW. Als dringende reden in de zin van artikel 7:678 lid 1 BW worden beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die tot gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Bij de beoordeling van de vraag of van een zodanige dringende reden sprake is, moeten de omstandigheden van het geval in onderling verband en samenhang in aanmerking worden genomen. Tot deze omstandigheden behoren onder meer de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals diens leeftijd, de aard en duur van het dienstverband en de gevolgen van het ontslag op staande voet. Ook indien de gevolgen ingrijpend zijn, kan een afweging van de persoonlijke omstandigheden tegen de aard en de ernst van de dringende reden tot de slotsom leiden dat een onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst gerechtvaardigd is.

3.7.1.In de ontslagbrief van 11 september 2012 wordt [geïntimeerde] verweten dat zij zonder bericht van verhindering niet is verschenen op haar werk en dat zij zodoende werk heeft geweigerd. Het staat vast dat zij inderdaad geen gevolg heeft gegeven aan de sommatie om op 10 september 2012 haar werkzaamheden te hervatten. Het gaat dan om de vraag of de weigering van [geïntimeerde] om haar werkzaamheden te hervatten kan worden beschouwd als een werkweigering die een dringende reden oplevert voor een ontslag op staande voet. [geïntimeerde] voert dienaangaande als verweer dat partijen aan het onderhandelen waren over de voorwaarden voor beëindiging van de arbeidsovereenkomst tussen partijen met wederzijds goedvinden en dat [geïntimeerde] door [Cafetaria-Croissanterie] vrijgesteld was van het verrichten van haar werkzaamheden gedurende de onderhandelingen. Volgens haar heeft [Cafetaria-Croissanterie] op geen enkele wijze medegedeeld dat de onderhandelingen als geëindigd dienden te worden beschouwd, zodat zij de sommaties van de gemachtigde van [Cafetaria-Croissanterie] om aan het werk te gaan niet serieus hoefde te nemen.

3.7.2.Het hof stelt voorop dat partijen het eens zijn over het feit dat [geïntimeerde] in elk geval gedurende de onderhandelingen van partijen over de beëindiging van de arbeidsovereenkomst vrijgesteld was van het verrichten van werkzaamheden met behoud van loon. Om te kunnen beantwoorden of [geïntimeerde] al dan niet terecht heeft geweigerd haar werk te hervatten, dient beoordeeld te worden of [geïntimeerde] uit de brieven die namens [Cafetaria-Croissanterie] voorafgaande aan het ontslag op staande voet aan haar zijn gestuurd, heeft kunnen afleiden dat de onderhandelingen waren geëindigd en dat zij daardoor niet langer was vrijgesteld van haar werkzaamheden. Het hof is – evenals de kantonrechter – van oordeel dat dit niet het geval is en neemt daartoe het navolgende in aanmerking.

3.7.3.

Het laatste inhoudelijke voorstel om tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst te komen is afkomstig van [Cafetaria-Croissanterie] en dateert van 25 juni 2012. Dit voorstel heeft [geïntimeerde] niet geaccepteerd. Het hof kan [Cafetaria-Croissanterie] niet volgen, voor zover zij stelt dat [geïntimeerde] na het afwijzen van voornoemd voorstel had moeten beseffen dat partijen er niet uit zouden komen en dat de onderhandelingen waren geëindigd. Uit de betreffende brief van de gemachtigde van [Cafetaria-Croissanterie] van 25 juni 2012 kan niet worden afgeleid dat het daarin opgenomen voorstel het laatste voorstel van [Cafetaria-Croissanterie] zou zijn om tot een overeenstemming ten aanzien van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst te komen en dat aan afwijzing van het voorstel de consequentie was verbonden dat de onderhandelingen zouden worden afgebroken. In de brief staat slechts aangegeven dat het voorstel geldig was tot 30 juni 2012 en dat het geheel zou komen te vervallen, indien [geïntimeerde] niet voor 30 juni 2012 volledig akkoord zou gaan met het voorstel. Het gegeven dat de standpunten van partijen ten aanzien van de voorwaarden voor de beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden op dat moment nog ver uit elkaar lagen doet aan het voorgaande niet af, evenmin als het gegeven dat er na het laatste voorstel van [Cafetaria-Croissanterie] van 25 juni 2012 geen overleg meer is geweest tussen partijen.

Ook in de daarop volgende correspondentie van/namens [Cafetaria-Croissanterie] van 1 augustus 2012, 14 augustus, 6 september 2012 en 11 september 2012 wordt geen melding gemaakt van een beëindiging van de onderhandelingen, zelfs niet nadat de gemachtigde van [geïntimeerde] in haar brief van 22 augustus 2012 heeft aangegeven dat de onderhandelingen van partijen nog voortduurden en [geïntimeerde] gedurende deze onderhandelingen was vrijgesteld van het verrichten van haar werkzaamheden. Bovendien heeft [geïntimeerde] niet, althans onvoldoende weersproken gesteld dat zij tot september 2010 iedere week haar loon van appellant sub 3 uitbetaald kreeg en dat bij die gelegenheden evenmin aan haar is medegedeeld dat de onderhandelingen waren afgebroken en dat zij weer moest komen werken.

In het bijzonder uit de brief van 6 september 2012 hoefde [geïntimeerde] niet af te leiden dat de onderhandelingen waren geëindigd en dat het in die brief geuite dreigement van ontslag op staande voet zou worden geconcretiseerd. Uit het voorstel van [Cafetaria-Croissanterie] van 25 juni 2012 volgt immers dat de vrijstelling van de werkzaamheden in ieder geval zou duren tot 30 september 2012.

3.7.4.Het hof stelt vast dat tussen partijen al vanaf januari 2012 overeenstemming bestond over het feit dat de arbeidsrelatie beëindigd moest worden. Gedurende acht maanden heeft [Cafetaria-Croissanterie] geen andere concrete stappen ondernomen dan het doen van enkele voorstellen om die beëindiging te realiseren (ook niet nadat die voorstellen door [geïntimeerde] waren afgewezen), waardoor op zich al de vraag rijst hoe dringend de noodzaak tot de beëindiging op staande voet was. Dit geldt temeer daar vast staat dat [Cafetaria-Croissanterie] [geïntimeerde] voor de duur van de onderhandelingen over de voorwaarden waaronder het tot een beëindiging kon komen heeft vrijgesteld van het verrichten van arbeid onder doorbetaling van het loon. Vervolgens heeft [Cafetaria-Croissanterie] bij het uitblijven van een reactie op haar laatste voorstel niet met een nieuw voorstel gereageerd, noch [geïntimeerde] uitgenodigd tot voortzetting van de onderhandelingen, noch mededeling gedaan van het feit dat zij de onderhandelingen als beëindigd beschouwde, ook niet toen [geïntimeerde] haar erop wees dat de onderhandelingen nog liepen. Daarentegen heeft [Cafetaria-Croissanterie] [geïntimeerde] opdracht gegeven om weer te komen werken, hoewel zij zich ervan bewust was dat een verdere samenwerking tussen partijen – mede gelet op de verstoorde persoonlijkeverhouding tussen [appellant 3] en [geïntimeerde] – onmogelijk was. Onder die omstandigheden kan de opdracht om de werkzaamheden op 10 september 2012 te hervatten niet worden beschouwd als een redelijke opdracht waarvan de weigering aanleiding kon geven tot een ontslag op staande voet. Het hof is dan ook van oordeel dat het niet verschijnen op het werk op 10 september 2012 onder de gegeven feiten en omstandigheden geen dringende reden oplevert voor een opzegging van de arbeidsovereenkomst op voet van artikel 7:677 lid 1 BW. Dit betekent dat het hoger beroep van [Cafetaria-Croissanterie] faalt.

3.8.Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat het bestreden vonnis, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, zal worden bekrachtigd. [Cafetaria-Croissanterie] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van dit hoger beroep.

4De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

veroordeelt [Cafetaria-Croissanterie] in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] worden begroot op € 299,- aan verschotten en op € 632,- aan salaris advocaat.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.H.B. den Hartog Jager, M.J.H.A. Venner-Lijten en R.J.M. Cremers en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 26 augustus 2014.

1 2